Naar hoofdinhoud

Titel › HOOFDSTUK III

Artikel 19

Bijzondere Fondsen

Onderdeel van Overeenkomst tot oprichting van de Aziatische Ontwikkelingsbank· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 29 augustus 1966

1. De Bank kan: met een meerderheid van twee derde van het totale aantal Bestuurders, die ten minste drie vierde van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigen, een bedrag ter grootte van hoogstens 10 (tien) procent van zowel het gedeelte van het onaangetast volgestorte kapitaal van de Bank dat door leden is betaald ingevolge artikel 6, tweede lid, letter (a), alsook van het gedeelte daarvan dat is betaald ingevolge artikel 6, tweede, lid, letter (b), op een afzonderlijke rekening boeken en daarmee een of meer Bijzondere Fondsen instellen; het beheer op zich nemen van Bijzondere Fondsen waarvan de bedoeling is dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van de Bank en die verband houden met haar taken. 2. Bijzondere Fondsen die door de Bank zijn ingesteld ingevolge het eerste lid (i) van dit artikel, kunnen worden gebruikt om leningen te garanderen of te verstrekken die uit het oogpunt van ontwikkeling hoge prioriteit hebben, die langere looptijden hebben, waarbij de eerste terugbetaling eerst later behoeft te geschieden en met lagere rentepercentages dan die welke zijn vastgesteld door de Bank voor haar gewone werkzaamheden. Deze Fondsen mogen ook worden gebruikt op andere door de Bank bij het instellen van die Fondsen te bepalen voorwaarden die niet in strijd zijn met de toepasselijke bepalingen van deze Overeenkomst, noch met het karakter van deze Fondsen als revolverende fondsen. 3. Bijzondere Fondsen die door de Bank zijn aanvaard ingevolge het bepaalde in het eerste lid (ii) van dit artikel kunnen worden gebruikt op wijzen en op voorwaarden die niet strijdig zijn met het doel van de Bank en met de overeenkomst met betrekking tot deze Fondsen. 4. De aan het instellen, het beheer en het gebruik van elk Bijzonder Fonds noodzakelijk verbonden bijzondere regels en voorschriften worden door de Bank vastgesteld. Die regels en voorschriften mogen niet in strijd zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst, met uitzondering van de bepalingen die uitdrukkelijk alleen van toepassing zijn op de gewone werkzaamheden van de Bank.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel