Naar hoofdinhoud
(1). De Regering van elk der Beneluxlanden zal op verzoek van de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland personen overnemen die geen onderdaan zijn van een der Staten, die Partij zijn bij deze Overeenkomst, indien deze personen, komende uit het Beneluxgebied het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland over de gemeenschappelijke grens op onwettige wijze zijn binnengekomen. (2). Deze bepaling is slechts van toepassing, indien het verzoek tot overname wordt ingediend binnen zes maanden nadat deze personen het Beneluxgebied hebben verlaten en indien zij tenminste twee weken op het Beneluxgebied hebben verbleven en na het overschrijden van de grens niet in de Bondsrepubliek Duitsland worden toegelaten als vluchtelingen in de zin van de Overeenkomst nopens de status van vluchtelingen van 28 juli 1951. (3). De Regering van elk der Beneluxlanden zal vluchtelingen die door de autoriteiten van een der Beneluxlanden zijn toegelaten als vluchteling in de zin van de Overeenkomst nopens de status van de vluchtelingen van 28 juli 1951 en op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland verblijven, op verzoek van de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland te allen tijde overnemen, tenzij de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland hun een verblijfsvergunning hebben verleend. (4). De verplichting tot overname bestaat niet ten aanzien van personen die onderdaan zijn van een Staat, waarmede de Bondsrepubliek Duitsland een gemeenschappelijke grens heeft en die aan deze Staat kunnen worden overgegeven.

Rechtspraak bij dit artikel