**1.** De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich, aan de in het eerste lid van artikel 1 van deze Overeenkomst bedoelde personen, wier aanwezigheid door de Commissie of het Hof van tevoren is goedgekeurd, geen beperkingen wat betreft hun vrijheid van beweging en het maken van reizen met het doel aan procedures voor de Commissie of het Hof deel te nemen en daarvan terug te keren.
Aan hun vrijheid van beweging en van reizen mogen alleen die beperkingen worden opgelegd waarin de wet voorziet en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale of de openbare veiligheid, voor de handhaving der openbare orde, het voorkomen van misdrijven, de bescherming van de gezondheid of de zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
**2.** Deze personen worden in de landen, waar doorheen zij reizen, alsook in het land waar de procedure plaats vindt, niet gerechtelijk vervolgd, noch in hechtenis genomen, noch op enige andere wijze in hun persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten of veroordelingen daterend van voor de aanvang van de reis.
Elke Overeenkomstsluitende Partij kan op het tijdstip van ondertekening van of nederlegging van de akte van bekrachtiging van deze Overeenkomst verklaren dat dit lid niet van toepassing is op haar onderdanen. Een dergelijke verklaring kan te allen tijde ingetrokken worden door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
**3.** De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich alle zodanige personen die hun reis op hun grondgebied hebben aangevangen, bij hun terugkeer, daarop wederom toe te laten.
**4.** Het in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaalde is niet langer van toepassing wanneer de betrokken persoon gedurende vijftien achtereenvolgende dagen, te rekenen van de datum waarop zijn tegenwoordigheid niet langer door de Commissie of het Hof werd verlangd, gelegenheid heeft gehad terug te keren naar het land waar hij zijn reis heeft aangevangen.
**5.** In geval van tegenstrijdigheid tussen de verplichtingen van een Overeenkomstsluitende Partij voortvloeiende uit het tweede lid van dit artikel en die welke voortvloeien uit een Verdrag van de Raad van Europa, een uitleveringsverdrag of enig ander verdrag betreffende wederzijdse bijstand in strafzaken dat is gesloten met andere Overeenkomstsluitende Partijen, gelden de bepalingen van het tweede lid van dit artikel.
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens· Internationaal privaatrecht Inclusief internationaal procesrecht
Deze tekst geldt sinds 29 februari 1972