Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK B › Titel III

Artikel 13

Artikel 13

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 23 april 1965

1. De Hoge Verdragsluitende Partijen onderhouden en vernieuwen, elk voor haar gebied, de in artikel 2 bedoelde vaarweg en de daartoe behorende kunstwerken ten minste overeenkomstig de omschrijving waaraan die vaarweg krachtens dit Verdrag dient te beantwoorden. Insgelijks dragen zij zorg voor de bediening van de tot de vaarweg behorende kunstwerken. 2. Indien één van de Hoge Verdragsluitende Partijen besluit om behalve de in artikel 3, eerste lid, onder f), bedoelde en in Bijlage II aangeduide bruggen nog andere bruggen over de vaarweg aan te leggen, bieden deze ten minste dezelfde doorvaartwijdte en -hoogte als de in Bijlage I beschreven vaste bruggen. De bruggen mogen het uitzicht voor de binnenvaart niet belemmeren. 3. Evenzo verkrijgen eventueel in de toekomst over de vaarweg aan te leggen hoogspannings- of andere leidingen, respectievelijk door de vaarweg aan te leggen kabels, leidingen, duikers en andere kunstwerken, dezelfde minimum-hoogte, respectievelijk dezelfde minimum-gronddekking, als is vastgesteld in Bijlage I voor direct bij de aanleg van de vaarweg aan te brengen leidingen, kabels, duikers en andere kunstwerken. 4. Het normale profiel van de vaarweg blijft volledig voor de doorgaande vaart beschikbaar. Eventuele zwaaikommen dienen buiten het normale profiel van de vaarweg te worden aangelegd. 5. In het door elk van de Hoge Verdragsluitende Partijen voor het op haar gebied gelegen gedeelte van de vaarweg vast te stellen bijzondere scheepvaartreglement worden bepalingen opgenomen, waarbij aan de doorgaande vaart voorrang wordt verleend en de hinder voor de doorgaande vaart als gevolg van havens en zijkanalen tot een minimum wordt beperkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel