Naar hoofdinhoud

DEEL III

Artikel 29

Artikel 29

Onderdeel van Europese Code inzake Sociale Zekerheid (herzien)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

1. Ouderdomsuitkeringen moeten worden verleend in de vorm van een periodieke betaling, berekend overeenkomstig de bepalingen hetzij van artikel 71 hetzij van artikel 72. 2. De in het voorgaande lid bedoelde uitkering moet worden gewaarborgd aan alle beschermde personen die, overeenkomstig voorgeschreven regels, veertig jaar van premiebetaling, arbeid of wonen hebben vervuld, met inbegrip van ieder tijdvak dat als zodanig wordt aangemerkt. 3. Wanneer een Partij evenwel de bepalingen van artikel 28, eerste lid, letter b of c, toepast, kan die Partij afwijken van het voorgaande lid, wanneer de in het eerste lid bedoelde uitkering wordt gewaarborgd: wanneer in beginsel alle economisch actieve personen worden beschermd, aan beschermde personen die, overeenkomstig voorgeschreven regels, een voorgeschreven tijdvak van premiebetaling hebben vervuld, en te wier naam in de loop van de actieve periode van hun leven premies zijn betaald waarvan het gemiddelde jaarlijkse aantal, het jaarlijkse aantal of het gemiddelde jaarlijks bedrag een voorgeschreven aantal bereikt; of wanneer in beginsel alle ingezetenen worden beschermd, aan beschermde personen die, overeenkomstig voorgeschreven regels, een voorgeschreven tijdvak van wonen hebben vervuld, met inbegrip van ieder tijdvak dat als zodanig wordt aangemerkt. 4. Uitkeringen die in evenredigheid tot het tijdvak van premiebetaling, arbeid of wonen kunnen worden verminderd, moeten worden verleend aan beschermde personen die, onder voorgeschreven voorwaarden, een tijdvak hebben vervuld dat korter is dan omschreven in het derde en vierde lid van dit artikel. 5. Wanneer de toekenning van een ouderdomsuitkering afhankelijk is gesteld van de vervulling van een wachttijd die bestaat uit een tijdvak van premiebetaling of arbeid, moet, onder voorgeschreven voorwaarden, een verminderde uitkering worden gewaarborgd aan personen die, enkel ten gevolge van het feit dat zij op het tijdstip waarop de regeling welke het mogelijk maakte dit deel toe te passen, van kracht is geworden, een gevorderde leeftijd hadden bereikt, overeenkomstig artikel 30 voorgeschreven voorwaarden niet hebben kunnen vervullen. Deze bepaling hoeft evenwel niet te worden toegepast indien aan die personen een uitkering wordt toegekend overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid of het derde lid, letter a, van dit artikel op een hogere leeftijd dan krachtens in artikel 26, eerste lid, voorgeschreven leeftijd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel