Naar hoofdinhoud
1. De leden van de krijgsmachten worden door de daartoe bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid voorzien van identiteitspapieren welke de naam, de geboortedatum en de rang van de houder aangeven en een volgnummer dragen en, tenzij de houder een uniform draagt, een foto. 2. Gezinsleden worden als zodanig in hun identiteitspapieren aangegeven. 3. Leden der krijgsmachten moeten op verzoek van de bevoegde Duitse autoriteiten hun identiteit bewijzen. 4. Behoudens de bepalingen van artikel 25 van dit Verdrag, vormen overeenkomstig lid 1 van dit artikel verstrekte identiteitspapieren afdoend bewijs van identiteit. 5. Wanneer leden der krijgsmachten in groepsverband reizen onder orders en militair bevel, zijn hun uniformen afdoend bewijs van hun identiteit. 6. Waar noodzakelijk, vormt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid dat een persoon lid is van de krijgsmachten in de zin van de definitie van artikel 1 van dit Verdrag, hiervan afdoend bewijs. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Rechtspraak bij dit artikel