Naar hoofdinhoud
1. De autoriteiten van de betrokken Mogendheid hebben het recht, niet-Duitse valuta of in de munteenheid van een betrokken Mogendheid gestelde geldswaardige papieren of militaire betalingscoupons in te voeren, uit te voeren, in bezit te hebben en deze, met inachtneming van de bepalingen van lid 2 van dit artikel, aan de leden der krijgsmachten uit te reiken. 2. De autoriteiten van de betrokken Mogendheid mogen hun leden betalen met in de munteenheid van de betrokken Mogendheid gestelde geldswaardige papieren of militaire betalingscertificaten, of met Duits geld, of met hun eigen munteenheid; zij voeren echter een betalingsstelsel in hun eigen munteenheid niet in dan na hierover met de Bondsregering overleg te hebben gepleegd. 3. Teneinde te voorkomen dat de Duitse deviezenbelangen worden geschaad, nemen de autoriteiten der betrokken Mogendheid, in samenwerking met de Bondsregering, passende maatregelen tegen elk misbruik van de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel. 4. De leden der krijgsmachten zijn niet onderworpen aan de Duitse deviezenwetgeving, mits de autoriteiten der krijgsmachten in samenwerking met de Duitse autoriteiten in voorkomend geval op grond van de op zeker ogenblik van kracht zijnde Duitse deviezenwetgeving passende maatregelen nemen teneinde de Duitse deviezenbelangen te waarborgen. Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.

Rechtspraak bij dit artikel