**1.** De krijgsmachten hebben het recht Duitse vervoermiddelen op de weg, de spoorwegen, waterwegen en in de lucht te gebruiken voor het vervoer van personen, dieren en materialen naar, door en uit het gebied van de Bondsrepubliek. Daarbij genieten de krijgsmachten een zodanige voorkeursbehandeling als noodzakelijk is voor de bevredigende vervulling van hun verdedigingsopdracht en als verenigbaar is met een redelijk evenwicht tussen de daaruit voortvloeiende behoeften en de noodzakelijke burgerlijke en verdedigingsbehoeften van de Bondsrepubliek. Zij hebben het recht met transportondernemingen contracten af te sluiten voor vervoersdiensten.
**2.** Indien de van de openbare vervoersondernemingen gevraagde diensten uitgaan boven die welke vrij verkrijgbaar zijn krachtens de algemeen geldende vervoersvoorschriften, zal voor zulke diensten door de autoriteiten van de krijgsmachten die op het gebied van vervoerszaken bevoegd zijn in een van de grotere districten een verzoek worden gericht aan de Duitse autoriteiten. Hetzelfde is van toepassing op vervoersdiensten welke worden gevraagd van niet openbare vervoersondernemingen indien deze diensten, hetzij uitgaan boven de gebruikelijke door de onderneming verrichte diensten, hetzij gevraagd worden gedurende perioden waarin een tekort aan transportmiddelen bestaat; een dergelijk tekort wordt geacht te zijn bewezen, wanneer er beperkende bepalingen van kracht zijn ten aanzien van het beschikbaar stellen van transportdiensten aan de civiele sector. Bijzonderheden en werkwijze worden geregeld bij speciale overeenkomsten.
**3.** De bepalingen van de volgende technische overeenkomsten en arbeidsregelingen, met inbegrip van administratieve behandeling tussen de krijgsmachten en de Duitse vervoersautoriteiten, als met wederzijdse overeenstemming gewijzigd, blijven van toepassing tot het tijdstip waarop zij aflopen:
de drie tarieven- en arbeidsregelingen tussen de Duitse Bondsspoorwegen en de Amerikaanse, Britse en Franse krijgsmachten, onderscheidenlijk van 31 maart 1950, 1 april 1950 en 1 september 1950;
de twee overeenkomsten tussen de Amerikaanse en Britse legers en de „Deutsche Schlafwagen- und Speisewagen-Gesellschaft” onderscheidenlijk van 30 april 1950 en 19 december 1950;
de overeenkomsten tussen de geallieerde krijgsmachten en de „Vereinigte Tanklager und Transportmittel G.m.b.H.” en de Bondsministeries voor Verkeer en Financiën van 13 september 1951, 17 december 1951 en 27 februari 1952.
De bepalingen van deze overeenkomsten zijn vóór de datum waarop zij aflopen, onderworpen aan herziening en wijziging, hetzij op verzoek van de Bondsrepubliek hetzij van de Drie Mogendheden, indien die bepalingen onverenigbaar zijn met dit Verdrag. Indien een van deze overeenkomsten niet met wederzijds goedvinden wordt verlengd na afloop van de huidige geldigheidsduur, dient tijdig overeenstemming te worden bereikt ten aanzien van de verschillende voorwaarden waaronder de diensten zullen worden verricht, welke voorwaarden na afloop van de overeenkomst zullen gelden en welke verenigbaar dienen te zijn met de behoeften van de krijgsmachten en de dienstpositie van hun leden bij de uitvoering van de verdedigingsopdracht van de krijgsmachten.
**4.** De krijgsmachten doen de Duitse vervoersautoriteiten zo vroegtijdig mogelijk van tevoren mededeling van de behoeften van hun militair vervoer.
**5.** Bij het inwerkingtreden van dit Verdrag hebben de krijgsmachten het recht alle transportmiddelen en inlichtingen, welke tot op dat ogenblik voor hun gebruik waren gereserveerd, te behouden onder voorbehoud van een gemeenschappelijk nieuw onderzoek van een dergelijk gebruik in overeenstemming met de beginselen van dit Verdrag.
**6.** Leden van de krijgsmachten hebben het recht van Duitse vervoersmiddelen gebruik te maken binnen het kader van de algemeen geldende verkeersvoorschriften.
**7.** Indien de bestaande vervoersmiddelen en inrichtingen welke beschikbaar zijn, niet voldoende zijn om aan de behoeften van de krijgsmachten te voldoen, zullen de Duitse autoriteiten op een door het hoogste hoofdkwartier van de betrokken strijdkrachten goedgekeurd verzoek, de reeds bestaande en beschikbare middelen of inrichtingen uitbreiden of wijzigen of nieuwe middelen of inrichtingen vervaardigen of bouwen in die mate als noodzakelijk is. Lid 4 van dit artikel is mutatis mutandis van toepassing.
**8.** De krijgsmachten hebben het recht binnen hun installaties vervoersmiddelen te vervaardigen voor zover de openbare veiligheid en orde buiten die installaties daardoor niet worden aangetast. Vóór de uitvoering van een dergelijk werk wordt behoorlijk overleg gepleegd met de Duitse autoriteiten.
**9.** De krijgsmachten kunnen overeenkomsten sluiten met de hoogste bevoegde autoriteiten in de Bondsrepubliek voor het officiële gebruik door de autoriteiten van de krijgsmachten die verantwoordelijk zijn voor de regeling van het militaire verkeer, van gespecialiseerde Duitse verreberichtgevingssystemen, mits een dergelijk gebruik de goede functionering van die systemen niet nadelig beïnvloedt.
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL DRIE › AFDELING II
Artikel 41
Vervoersdiensten
Onderdeel van Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 1956