**1.** Leden van de krijgsmachten, die zich behoorlijk legitimeren door middel van een hun krachtens artikel 24 van dit Verdrag uitgereikt identiteitspapier, kunnen niet door de Duitse autoriteiten in arrest worden gesteld.
**2.** De Duitse autoriteiten kunnen echter een lid van de krijgsmachten in verzekerde bewaring stellen zonder hem te onderwerpen aan de gebruikelijke formaliteiten van arrestatie, teneinde hem met eventueel in beslag genomen wapens of voorwerpen onmiddellijk aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten over te geven
indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
in de volgende gevallen, waarin de autoriteiten van de krijgsmachten niet in staat zijn met de nodige snelheid op te treden:
bij betrapping op heterdaad
bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit, dat ernstige schade voor personen of eigendommen, of een ernstige inbreuk op andere wettelijk beschermde rechten („Rechtsgüter”) tot gevolg heeft of zou kunnen hebben; of
voor zover dit noodzakelijk blijkt om een einde te maken aan een reeds bestaande ernstige verstoring van de openbare orde;
indien er gevaar van ontvluchting bestaat, bij het plegen of bij poging tot het plegen van spionage ten nadele van de Bondsrepubliek.
**3.** De Duitse autoriteiten kunnen een lid van de krijgsmachten fouilleren of de voorwerpen die hij bij zich draagt doorzoeken
indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
indien hij overeenkomstig lid 2 van dit artikel in verzekerde bewaring wordt gesteld, voor zover fouillering of doorzoeking nodig is om hem te ontwapenen of om bewijsstukken van het strafbare feit waarvoor hij in verzekerde bewaring is gesteld, in beslag te nemen.
De bepalingen van de vierde zin van lid 5 van artikel 35 van dit Verdrag worden niet aangetast.
Het kwartier van een lid van de krijgsmachten of, bij gebreke daarvan, de woonruimte welke hij met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmachten in gebruik heeft, mogen niet door de Duitse autoriteiten worden doorzocht, behalve op verzoek van de autoriteiten van de krijgsmachten. Indien een dergelijke woonruimte van het lid van de krijgsmachten geen installatie is, is ofwel zijn toestemming, ofwel die van de autoriteiten van de krijgsmachten tot het doorzoeken voldoende.
**4.** De Duitse autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten op de hoogte van de arrestatie van iedere persoon, die in dienst is bij de krijgsmachten.
**5.** De bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten kunnen
leden van de krijgsmachten in arrest stellen;
een persoon die onderworpen is aan de Duitse strafrechtspraak in verzekerde bewaring stellen zonder hem te onderwerpen aan de gebruikelijke formaliteiten van arrestatie, teneinde hem met eventueel in beslag genomen wapens of voorwerpen aan de dichtstbijzijnde bevoegde Duitse autoriteiten over te geven:
indien zulks wordt verzocht door de Duitse autoriteiten;
in de volgende gevallen, waarin de Duitse autoriteiten niet in staat zijn met de nodige snelheid op te treden:
bij betrapping op heterdaad bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit, dat gericht is tegen de krijgsmachten, hun leden, of de veiligheid, eigendommen of andere wettelijk beschermde rechten („Rechtsgüter”) van de krijgsmachten of van hun leden; of
indien er gevaar bestaat voor ontvluchting bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van de Afdelingen 1 tot en met 9 van Bijlage A bij dit Verdrag;
binnen een installatie, wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen („dringender Verdacht”) dat hij zich daar onbevoegd ophoudt of dat hij binnen die installatie een strafbaar feit heeft gepleegd.
**6.** Wanneer de autoriteiten van de krijgsmachten van mening zijn, dat een aan de Duitse rechtspraak onderworpen persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit in de zin van de Afdelingen 1 tot en met 11 van Bijlage A van dit Verdrag, zijn de volgende speciale bepalingen van toepassing:
indien de verdachte door de Duitse autoriteiten moet worden gearresteerd, zal daarvan, indien zulks uitvoerbaar is, tijdig mededeling worden gedaan aan de autoriteiten van de krijgsmachten, en dezen mogen met het onderzoek personen belasten om bij de arrestatie aanwezig te zijn. Deze personen mogen ook aanwezig zijn bij fouilleringen, huiszoekingen of inbeslagnemingen welke in verband met het onderzoek plaats vinden. De autoriteiten van de krijgsmachten hebben bij uitsluiting gedurende een periode van ten hoogste een en twintig dagen, volgend op de arrestatie, het recht de verdachte te ondervragen over de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht en daarmee in verband staande aangelegenheden. Te dien einde hebben de door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen te allen tijde toegang tot de verdachte. Een door de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit aangewezen ambtenaar mag bij die ondervraging aanwezig zijn en aan bedoelde Duitse autoriteit zal tijdig mededeling worden gedaan van de voorgenomen ondervraging. De met het onderzoek belaste Duitse autoriteit neemt passende maatregelen om te voorkomen, dat het rechtsverloop op enigerlei wijze nadelig wordt beïnvloed („Verdunkelungsgefahr”) en onthoudt zich van ieder eigen onderzoek, tenzij de door de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen om een dergelijk onderzoek verzoeken.
Tijdens de ondervraging vanwege de door de autoriteiten van de krijgsmachten voor het onderzoek aangewezen personen zal de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit op hun verzoek de in het Duitse Wetboek van Strafvordering bedoelde formaliteiten vervullen, maatregelen nemen en er op toezien, dat gerechtelijke beslissingen, welke er toe kunnen bijdragen het onderzoek te vergemakkelijken, worden uitgevaardigd en dat de bij die beslissingen genomen maatregelen ten uitvoer worden gelegd. Na de beëindiging van het onderzoek der door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen, in ieder geval niet later dan een en twintig dagen na de arrestatie, worden de ondervragingen en het overige onderzoek voortgezet door de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit. De door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen geven aan de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit al het in de loop van het onderzoek verzamelde bewijsmateriaal over, tenzij veiligheidsoverwegingen zich daartegen verzetten.
indien de verdachte geen Duitser is, gelden de bepalingen van lid 6 (a) van dit artikel met inachtneming van het volgende voorbehoud:
De bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten kunnen de verdachte zelf in verzekerde bewaring stellen en houden gedurende een periode van ten hoogste een en twintig dagen en kunnen zelf alle ondervragingen en andere onderzoekingen verrichten. Voor de gerechtelijke maatregelen welke gedurende deze periode noodzakelijk zijn, wordt een lid van de krijgsmachten, bevoegd tot het uitoefenen van gerechtelijke functies toegevoegd aan de bevoegde Duitse rechtbank als assessor die geen stemrecht heeft.
**7.** De autoriteiten van de krijgsmachten kunnen een aan de Duitse rechtspraak onderworpen persoon fouilleren of de voorwerpen die hij bij zich draagt doorzoeken
indien zulks wordt verzocht door de Duitse autoriteiten;
indien hij overeenkomstig lid 5 (b) van dit artikel in verzekerde bewaring wordt gesteld, voor zover fouillering of doorzoeking nodig is om hem te ontwapenen of om bewijsstukken van het strafbare feit waarvoor hij in verzekerde bewaring wordt gesteld, in beslag te nemen.
**8.** De grondwettelijke immuniteiten van de Bondspresident en van de leden der wetgevende lichamen van de Duitse Bond en van de „Länder” worden door de bepalingen van dit artikel niet aangetast.
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL TWEE › AFDELING I
Artikel 7
Arrestatie, fouillering, huiszoeking en inbeslagneming
Onderdeel van Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 11 juni 1956