Teneinde discriminatie in de zin van dit Verdrag op te heffen of te voorkomen nemen de staten die partij zijn bij dit Verdrag de verplichting op zich:
Alle wettelijke bepalingen en administratieve voorschriften in te trekken en een einde te maken aan die administratieve praktijken die discriminatie in het onderwijs met zich brengen;
Ervoor te zorgen, zonodig door wettelijke voorschriften, dat er geen discriminatie bestaat bij de toelating van leerlingen tot onderwijsinstellingen;
Niet toe te staan dat de overheid onderdanen, behalve op grond van verdienste of ontoereikende financiële middelen, verschillend behandelt ten aanzien van schoolgeld en het verlenen van studiebeurzen of andere vormen van hulp aan leerlingen en de noodzakelijke toestemming en faciliteiten voor het volgen van studies in andere landen;
Ten aanzien van de steun die de autoriteiten eventueel aan onderwijsinstellingen verlenen geen beperkingen of voorkeur toe te staan, uitsluitend gebaseerd op het feit dat de leerlingen tot een bepaalde groep behoren;
Buitenlandse onderdanen die op hun grondgebied wonen op dezelfde wijze toegang te verlenen tot het onderwijs als hun eigen onderdanen.
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 25 juni 1966