Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Artikel 7

Onderdeel van Verdrag inzake de visserij en de instandhouding van de levende rijkdommen van de volle zee· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 20 maart 1966

1. Met inachtneming van het in lid 1 van artikel 6 bepaalde mag iedere kuststaat, ter instandhouding van de produktiviteit van de levende rijkdommen van de zee, eenzijdig maatregelen nemen met betrekking tot enigerlei visstapel of tot andere in zee levende organismen in enig gebied van de volle zee dat grenst aan zijn territoriale zee, althans indien onderhandelingen omtrent dit punt met de andere belanghebbende staten niet binnen zes maanden tot overeenstemming hebben geleid. 2. De maatregelen welke de kuststaat krachtens het vorige lid neemt, kunnen alleen dan voor andere staten gelden, als: de noodzaak aanwezig is voor onverwijlde toepassing van maatregelen tot instandhouding, gezien in het licht van de bestaande kennis op visserijgebied; de genomen maatregelen steunen op ter zake dienende wetenschappelijke gegevens; deze maatregelen noch formeel noch in feite discriminerend werken tegenover buitenlandse vissers. 3. Deze maatregelen zullen, hangende een regeling van eventuele geschillen in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag, van kracht blijven. 4. Indien de maatregelen niet door de andere daarbij betrokken staten worden aanvaard, kan elk der partijen overgaan tot de procedure bedoeld in artikel 9. Met inachtneming van het in lid 2 van artikel 10 bepaalde zullen de genomen maatregelen van kracht blijven totdat de bijzondere commissie een beslissing heeft genomen. 5. Waar kusten van verschillende staten zijn betrokken, geldt de afbakeningsregeling van artikel 12 van het Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel