Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Akkoord ter uitvoering van het Europees Verdrag van 9 juli 1956 betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 1960

1. Om met toepassing van de leden 1 en 2 van artikel 3 en de leden 1 t/m 4 van artikel 4 van het Verdrag in aanmerking te komen voor verstrekkingen in natura legt de arbeider aan het orgaan van de verblijfplaats over een bewijs, dat in de loop van de twee aan de overlegging voorafgaande kalendermaanden is afgegeven: hetzij door het bevoegde orgaan, waarin met name wordt verklaard, dat het gaat om een arbeider, die bij dat orgaan is ingeschreven en op wie het Verdrag van toepassing is, en waarin de naam, het adres, de zetel en de aard van de onderneming, waarbij de arbeider werkzaam is, wordt aangegeven; hetzij door de werkgever of diens vertegenwoordiger, waarin met name wordt verklaard, dat het gaat om een arbeider, die voor zijn rekening werkzaam is, bij het bevoegde orgaan ingeschreven is en op wie het Verdrag van toepassing is, en waarin de aard van zijn onderneming, alsmede de naam en de zetel van het (de) bevoegde orga(a)n(en), waarbij de arbeider ingeschreven is wordt aangegeven; indien evenwel krachtens de nationale wetgeving de werkgever niet geacht wordt het bevoegde orgaan te kennen, moet de arbeider aan het orgaan van de verblijfplaats bij de indiening van zijn aanvraag de naam en de zetel van het bevoegde orgaan vermelden. 2. In geval de arbeider, overeenkomstig de op grond van de bepalingen van artikel 2 van het Verdrag van toepassing zijnde wetgeving, is ingeschreven bij verscheidene bevoegde organen, is het door het bevoegde orgaan, dat de verstrekkingen in natura in geval van ziekte of moederschap beheert, afgegeven bewijs, behalve wanneer het tegendeel daarop is vermeld, eveneens geldig voor de verstrekking van andere eventueel noodzakelijke uitkeringen. 3. De verstrekkingen in natura kunnen aan de arbeider, met name in geval van een ongeval of een ernstige ziekte, niet geweigerd worden, om reden dat hij niet in staat is op het gewenste ogenblik een bewijs over te leggen overeenkomstig de bepalingen van lid 1 van dit artikel, indien het orgaan van de verblijfplaats kan nagaan of als waarschijnlijk kan aannemen, dat het gaat om een arbeider, op wie het Verdrag van toepassing is. In dat geval wendt het orgaan van de verblijfplaats zich tot het bevoegde orgaan om het bewijs te verkrijgen.

Rechtspraak bij dit artikel