Naar hoofdinhoud
1. Indien een orgaan van een van de beide landen een overeenkomstig het bepaalde bij het vorige artikel ingediende aanvraag om uitkering ontvangt, bevestigt het, voor zover mogelijk, de rechtsgeldigheid van de aanvraag en van alle door de aanvrager ter staving van de aanvraag overgelegde bescheiden en zendt het een gewaarmerkt afschrift van de aanvraag aan het bevoegde orgaan van het andere land, vergezeld van twee afschriften van een formulier, waaruit blijkt, welk premiebedrag voor de verzekerde is aangetekend en waarop voorts die inlichtingen worden verstrekt, welke dat orgaan nodig mocht hebben. 2. Na ontvangst van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bescheiden beslist het orgaan van het andere land overeenkomstig het bepaalde bij de Hoofdstukken 3 en 4 van Titel III van het Verdrag omtrent de aanvraag en geeft het het orgaan van het land, waar de aanvrager woont, kennis van zijn beslissing, onder vermelding van het bedrag van de uitkering, waarop de aanvrager krachtens genoemde bepalingen recht heeft en eventueel van het bedrag van de uitkering, waarop hij recht zou hebben, indien hij afstand zou doen van de voordelen van artikel 19 van het Verdrag. Bedoeld orgaan zendt aan het orgaan van het land, waar de aanvrager woont, eveneens een afschrift van het in lid 1 van dit artikel bedoelde formulier, waarop wordt aangegeven, welk premiebedrag voor de verzekerde is aangetekend en waarop die inlichtingen worden verstrekt, welke dat orgaan nodig mocht hebben. 3. Na ontvangst van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde bescheiden beslist het orgaan van het land, waar de aanvrager woont, op zijn beurt overeenkomstig het bepaalde bij de Hoofdstukken 3 en 4 van Titel III van het Verdrag omtrent de aanvraag en stelt de aanvrager in kennis van: de beslissingen van beide organen; de bedragen van de uitkeringen waarop hij recht heeft ingevolge de wettelijke regeling van elk land op grond van het bepaalde bij de Hoofdstukken 3 en 4 van Titel III van het Verdrag; van zijn recht om eventueel afstand te doen van de voordelen van artikel 19 van het Verdrag en van het bedrag van de uitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken, indien hij afstand van deze voordelen zou doen; van zijn recht van beroep ingevolge de wettelijke regeling van elk land. 4. Genoemd orgaan zendt een afschrift van zijn beslissing aan het orgaan van het andere land en doet dat orgaan mededeling van de datum, waarop de aanvrager in kennis werd gesteld van beide beslissingen en van diens besluit de voordelen van artikel 19 van het Verdrag al dan niet te aanvaarden.

Rechtspraak bij dit artikel