Naar hoofdinhoud

DEEL I › HOOFDSTUK II

Artikel 9

Verboden gebieden

Onderdeel van Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 17 juli 1962

(a). Elke Verdragsluitende Staat kan, om redenen van militaire noodzaak of openbare veiligheid, het uitoefenen van de luchtvaart met luchtvaartuigen van andere Staten boven bepaalde delen van zijn grondgebied op eenvormige wijze beperken of verbieden, mits terzake geen onderscheid wordt gemaakt tussen de luchtvaartuigen, gebruikt op geregelde internationale luchtdiensten van de Staat wiens grondgebied in het geding is en de luchtvaartuigen van andere Verdragsluitende Staten welke op dezelfde wijze worden gebruikt. Zodanige verboden gebieden dienen redelijke afmetingen te hebben en zodanig te zijn gelegen dat zij niet onnodig de luchtvaart hinderen. Beschrijvingen van zodanige verboden gebieden op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, zowel als latere wijzigingen daarin, moeten zo spoedig mogelijk aan de andere Verdragsluitende Staten en aan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie worden medegedeeld. (b). Elke Verdragsluitende Staat behoudt zich tevens het recht voor, in buitengewone omstandigheden of in tijd van nood, dan wel in het belang van de openbare veiligheid, met onmiddellijke inwerkingtreding de uitoefening van de luchtvaart over zijn gehele grondgebied of een deel daarvan tijdelijk te beperken of te verbieden, onder voorwaarde dat zodanig (e) beperking of verbod zonder onderscheid van nationaliteit van toepassing zal zijn op luchtvaartuigen van alle andere Staten. (c). Elke Verdragsluitende Staat kan op grond van door hem uitgevaardigde voorschriften eisen dat luchtvaartuigen die gebieden als onder (a) en (b) bedoeld, binnenvliegen, zo spoedig mogelijk daarna landen op een aangewezen luchthaven binnen zijn grondgebied.

Rechtspraak bij dit artikel