**1.** Wanneer bij een spoorwegovergang een signaalinrichting is aangebracht om te waarschuwen dat een trein nadert of de afsluitbomen of de halve afsluitbomen op het punt staan te worden gesloten, bestaat de inrichting:
onder inachtneming van het in lid 4 van dit artikel bepaalde, in een rood flikkerlicht of in twee rode afwisselende flikkerende en aan dezelfde stijl aangebrachte lichten; dit licht of deze lichten worden al dan niet door een geluidssignaal begeleid; of
in een eenvoudig geluidssignaal.
**2.** Alle spoorwegovergangen, voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen, welke worden bediend van een plaats vanwaar de spoorbomen niet zichtbaar zijn, zijn voorzien van een signaalinrichting als hierboven omschreven in lid 1 (a) of in lid 1 (b).
Alle spoorwegovergangen, voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen, welke automatisch door de nadering van een trein worden bediend, zijn voorzien van een signaalinrichting als hierboven omschreven in lid 1 (a).
**3.** Het signaal bedoeld in lid 1 van dit artikel betekent dat geen enkele weggebruiker de spoorbaan mag oversteken.
**4.** Op wegen waar de spoorwegovergang zich bij een kruispunt bevindt, dat is voorzien van de in artikel 53 van dit Protocol omschreven lichtsignalen ten behoeve van het verkeer, kunnen in uitzonderingsgevallen de signalen, genoemd in lid 1 van dit artikel worden vervangen door het in artikel 53 omschreven stelsel met drie kleuren of uitsluitend door de gele en rode lichten van dat stelsel; in dat geval hebben de gele en rode lichten voor alle weggebruikers de betekenis welke daaraan in artikel 53 met betrekking tot voertuigen wordt gegeven. Bij een vervanging als hierboven bedoeld kan het in lid 1 of lid 2 van artikel 15 omschreven naderingsteken vervallen indien, tengevolge van plaatselijke omstandigheden, het moeilijk zou zijn dit op zodanige wijze te bevestigen dat het voldoende zichtbaar is.
**5.** Op elke spoorwegovergang, voorzien van afsluitbomen of halve afsluitbomen, welke automatisch worden bediend door de nadering van een trein of welke worden bediend van een plaats vanwaar de afsluitbomen of halve afsluitbomen niet zichtbaar zijn, is de snelheid waarmede de afsluitbomen of halve afsluitbomen worden gesloten, zodanig dat weggebruikers die de spoorwegovergang naderen of er zich reeds op bevinden wanneer het signaaltoestel in werking treedt, tijdig kunnen stilhouden alvorens zij de spoorwegovergang bereiken, of in de gelegenheid zijn deze tijdig te verlaten.
DEEL III
Artikel 47
Artikel 47
Onderdeel van Protocol nopens de verkeerstekens· Vervoersrecht
Deze tekst geldt sinds 22 oktober 1964