Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Intrekking of opschorting van de vergunning

Onderdeel van Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Republiek Indonesië· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 1 februari 1994

1. De luchtvaartautoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij hebben het recht de in artikel 3 bedoelde vergunningen niet te verlenen aan een luchtvaartmaatschappij aangewezen door de andere Overeenkomstsluitende Partij, deze vergunningen in te trekken of op te schorten of daaraan voorwaarden te verbinden: indien een zodanige luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft ten genoegen van de luchtvaartautoriteiten van die Overeenkomstsluitende Partij aan te tonen dat zij voldoet aan de door die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijze in overeenstemming met het Verdrag toegepaste wetten en voorschriften; indien een zodanige luchtvaartmaatschappij in gebreke blijft de gewoonlijk en redelijkerwijze in overeenstemming met het Verdrag toegepaste wetten en voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij na te leven; indien niet te hunnen genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op de luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst en/of bij haar onderdanen; en ingeval de luchtvaartmaatschappij anderszins in gebreke blijft de exploitatie uit te oefenen in overeenstemming met de ingevolge deze Overeenkomst voorgeschreven voorwaarden. 2. Tenzij onmiddellijk optreden noodzakelijk is ten einde verdere inbreuk op bovengenoemde wetten en voorschriften te voorkomen, worden de in het eerste lid van dit artikel genoemde rechten slechts uitgeoefend na overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partij. Tenzij door de Overeenkomstsluitende Partijen anders is overeengekomen, vangt dit overleg aan binnen een tijdvak van zestig (60) dagen na de datum van ontvangst van het verzoek. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 29 juni 2011 zal, wanneer in de Engelse tekst van de bilaterale Overeenkomst, met Bijlage, wordt verwezen naar „nationals” van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar „nationals” van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2021/154). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 29 juni 2011 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede en derde lid, van deze Overeenkomst voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2021/154).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel