Naar hoofdinhoud

DEEL II

Artikel XVI

Subsidies

Onderdeel van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel· Financieel en economisch recht

1. Indien een verdragsluitende partij enige subsidie, daaronder begrepen elke vorm van bescherming van inkomen of steun aan prijzen, verleent of in stand houdt, welke rechtstreeks of middellijk vermeerdering van de uitvoer van een produkt uit haar gebied of vermindering van de invoer van een produkt in haar gebied ten gevolge heeft, geeft zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk kennis van de omvang en aard van de subsidiëring, van de vermoedelijke uitwerking hiervan op de hoeveelheid der betrokken in of uit te voeren goederen en van de omstandigheden die subsidiëring nodig maken. In alle gevallen waarin wordt vastgesteld, dat aan de belangen van een andere verdragsluitende partij door zulk een subsidiëring ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend, bespreekt de verdragsluitende partij die de subsidie verleent met de betrokken verdragsluitende partij of met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op verzoek de mogelijkheid van een beperking der subsidiëring. 2. De verdragsluitende partijen erkennen, dat het verlenen van een subsidie op de uitvoer van een produkt door een verdragsluitende partij voor andere verdragsluitende partijen, zowel importerende als exporterende, schadelijke gevolgen kan hebben, hun normale handelsbelangen in te grote mate kan verstoren, zomede de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst kan belemmeren. 3. Dientengevolge moeten de verdragsluitende partijen trachten de verlening van subsidies op de uitvoer van basisprodukten te vermijden. Indien een verdragsluitende partij toch, rechtstreeks of middellijk, in welke vorm dan ook een subsidie verleent, welke ten doel heeft de uitvoer uit haar grondgebied van een basisprodukt te vergroten, mag deze subsidie niet zodanig worden toegepast, dat deze verdragsluitende partij meer dan een billijk aandeel in de werelduitvoerhandel van dat produkt verwerft, waarbij rekening wordt gehouden met het door de verdragsluitende partijen gedurende een vorige basisperiode verworven aandeel in die handel in dat produkt, zomede met alle speciale factoren welke de handel in het desbetreffende produkt hebben beïnvloed, dan wel kunnen beïnvloeden. 4. Voorts verlenen de verdragsluitende partijen van 1 januari 1958 af, of zo spoedig mogelijk nadien, geen enkele subsidie meer, hetzij rechtstreeks hetzij middellijk, in welke vorm dan ook, op de uitvoer van een produkt, geen basisprodukt zijnde, welke subsidie tot gevolg heeft, dat het desbetreffende produkt wordt verkocht tegen een prijs die lager ligt dan de vergelijkbare prijs waartegen het overeenkomstige produkt aan kopers op de binnenlandse markt wordt aangeboden. Tot 31 december 1957 mag geen verdragsluitende partij de omvang van de door haar verleende subsidies verhogen tot boven die bestaande op 1 januari 1955, door het verlenen van nieuwe subsidies dan wel door verhoging van bestaande. 5. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen de werking van de bepalingen van dit artikel van tijd tot tijd aan een onderzoek teneinde in het licht van de opgedane ervaringen vast te stellen of zij op doelmatige wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst en daadwerkelijk verhinderen dat subsidies worden verleend die ernstige schade toebrengen aan de handel of de belangen van de verdragsluitende partijen. De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1 januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.

Rechtspraak bij dit artikel