Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 6

Verhouding tussen de inbreng van de coproducenten

Onderdeel van Verdrag van de Raad van Europa inzake cinematografische coproductie (herzien)· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 1 december 2017

1. In het geval van een multilaterale coproductie mag de kleinste inbreng niet minder dan 5% en de grootste inbreng niet meer dan 80% bedragen van de totale productiekosten van een cinematografisch werk. Wanneer de kleinste inbreng minder dan 20% bedraagt of de coproductie louter financieel van aard is, kan de betrokken partij stappen ondernemen om de toegang tot nationale steunmaatregelen voor producties te beperken of te blokkeren. 2. Wanneer dit Verdrag ingevolge de bepalingen van artikel 2, vierde lid, tussen twee partijen als bilateraal verdrag geldt, mag de kleinste inbreng niet minder dan 10% en de grootste inbreng niet meer dan 90% bedragen van de totale productiekosten van het cinematografische werk. Wanneer de kleinste inbreng minder dan 20% bedraagt of de coproductie louter financieel van aard is, kan de betrokken partij stappen ondernemen om de toegang tot nationale steunmaatregelen voor producties te beperken of te blokkeren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel