Alle Partijen en het comité genoemd in artikel 16 kunnen wijzigingen van dit Verdrag voorstellen.
Van elk voorstel tot wijziging wordt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis gesteld, die het doet toekomen aan de lidstaten van de Raad van Europa, aan de andere Partijen en aan elke Europese niet-lidstaat die is uitgenodigd toe te treden tot dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van artikel 19.
Het comité onderzoekt elke voorgestelde wijziging en legt de tekst die is aangenomen met een meerderheid van drievierde van de vertegenwoordigers van de Partijen ter aanneming voor aan het Comité van Ministers. Na aanneming door het Comité van Ministers met de in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa voorziene meerderheid en met algemene stemmen van de Staten die Partij zijn die recht hebben op een zetel in het Comité van Ministers, wordt de tekst ter aanvaarding aan de Partijen gezonden.
Ten aanzien van de Partijen die een wijziging hebben aanvaard treedt deze in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop tien lidstaten van de Raad van Europa de Secretaris-Generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij de wijziging hebben aanvaard. Met betrekking tot elke Partij die nadien de wijziging aanvaardt, wordt de wijziging van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop die Partij de Secretaris-Generaal in kennis heeft gesteld van haar aanvaarding.
HOOFDSTUK V
Artikel 22
– Wijzigingen
Onderdeel van Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving· Cultureel recht