**1.** Wederzijdse rechtshulp mag worden geweigerd, voldoende rekening houdend met de beginselen vervat in het tweede lid, indien:
de aangezochte staat die partij is ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, geslacht, kleur, geestelijke of fysieke handicap, seksuele oriëntatie, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst, politieke overtuiging of vanwege het feit dat hij behoort tot een bepaalde sociale groep of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen zou kunnen benadelen;
het verzoek een misdrijf betreft waarop ingevolge het nationale recht van de verzoekende staat die partij is de doodstraf is gesteld, tenzij, in overeenstemming met het nationale recht van de aangezochte staat die partij is;
de verzoekende staat die partij is geloofwaardige, afdoende en effectieve waarborgen biedt, of, indien de aangezochte staat die partij is daarom verzoekt, instemt met een voorwaarde die voldoet aan de eisen van de aangezochte staat die partij is dat de doodstraf niet zal worden opgelegd; of
wanneer het nationale recht van de aangezochte staat die partij is dit mogelijk maakt, indien eenmaal de doodstraf is opgelegd, de verzoekende staat die partij is geloofwaardige, afdoende en effectieve waarborgen biedt, of, indien de aangezochte staat die partij is daarom verzoekt, instemt met een voorwaarde die voldoet aan de eisen van de aangezochte staat die partij is dat de doodstraf niet zal worden tenuitvoergelegd;
het verzoek betrekking heeft op feiten op grond waarvan de vervolgde persoon in de aangezochte staat die partij is, onherroepelijk is berecht voor een misdrijf op basis van dezelfde strafbare gedraging;
er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon op wie het verzoek betrekking heeft zou worden blootgesteld aan foltering of andere vormen van wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces of andere flagrante schendingen van de fundamentele mensenrechten in de verzoekende staat die partij is in overeenstemming met het nationale recht van de aangezochte staat die partij is;
het de autoriteiten van de aangezochte staat die partij is krachtens zijn nationale recht verboden zou zijn de verzochte actie uit te voeren ten behoeve van misdrijf op basis van dezelfde criminele gedraging, indien het onder zijn eigen rechtsmacht zou worden onderworpen aan opsporing, vervolging of een gerechtelijke procedure;
het verzoek niet is gedaan in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag;
de aangezochte staat die partij is uitvoering van het verzoek schadelijk acht voor zijn soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen;
het verzoek is gedaan namens een buitengewoon of ad-hocgerecht of -tribunaal van de verzoekende staat die partij is, tenzij de bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat die partij is voldoende waarborgen geven dat de berechting zal plaatsvinden door een rechter die volgens de regels van de rechtspraak in het algemeen bevoegd is om uitspraak te doen in strafzaken.
het honoreren van het verzoek in strijd zou zijn met het nationale recht van de aangezochte staat die partij is met betrekking tot wederzijdse rechtshulp;
er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon op wie het verzoek betrekking heeft een reëel risico loopt te worden veroordeeld tot een levenslange vrijheidsstraf zonder de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling of tot een straf met een onbepaalde duur.
**2.** Bij het uitoefenen van hun beoordelingsvrijheid ingevolge het eerste lid, houden de staten die partij zijn rekening met de internationale en nationale beginselen van mensenrechten en fundamentele vrijheden, met inbegrip van het recht op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon.
**3.** De staten die partij zijn, mogen een verzoek om wederzijdse rechtshulp niet afwijzen uitsluitend op grond van het feit dat het misdrijf feit geacht wordt tevens fiscale aangelegenheden te omvatten of op grond van het bankgeheim.
**4.** Elke gehele of gedeeltelijke weigering van wederzijdse rechtshulp wordt met redenen omkleed.
**5.** Alvorens een verzoek ingevolge dit artikel te weigeren of de uitvoering ervan uit te stellen op grond van artikel 32, vierde lid, overlegt de aangezochte staat die partij is, indien aangewezen, met de verzoekende staat die partij is teneinde te overwegen of rechtshulp kan worden verleend onder de door hem nodig geachte voorwaarden en bepalingen. Indien de verzoekende staat die partij is rechtshulp aanvaardt onder die voorwaarden, dient hij daaraan te voldoen.
DEEL III
Artikel 30
Gronden voor het weigeren van wederzijdse rechtshulp
Onderdeel van Verdrag van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven· Strafrecht