Naar hoofdinhoud
1. Bij dit Verdrag mogen geen andere voorbehouden worden gemaakt dan die waarin dit artikel voorziet. 2. Een staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag een voorbehoud maken bij artikel 39, artikel 40 of artikel 42, alsmede een voorbehoud als uitdrukkelijk bepaald in artikel 86, derde lid, of artikel 90, vijfde lid. 3. Een staat kan, op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag, voor verlengbare termijnen van drie jaar een voorbehoud maken op grond van zijn nationale recht en in overeenstemming met zijn verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, waardoor de vestiging van zijn rechtsmacht uit hoofde van artikel 8, derde lid, wordt beperkt. 4. Een staat die een voorbehoud heeft gemaakt in overeenstemming met het tweede of derde lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de depositaris.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel