Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 32

Verjaring

Onderdeel van Verdrag inzake de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen· Arbitrage

1. De verjaringstermijn voor een vordering die voortvloeit uit het vervoer krachtens dit Verdrag bedraagt één jaar. De verjaringstermijn bedraagt echter twee jaar in het geval van een vordering: om een door de vervoerder bij de geadresseerde geïnde contante betaling bij aflevering terug te vorderen; om de opbrengst van de verkoop door de vervoerder terug te vorderen. 2. De verjaringstermijn geldt voor vorderingen: voor vergoeding van geheel verlies, vanaf de dertigste dag na het verstrijken van de afleveringstermijn; voor vergoeding van gedeeltelijk verlies, schade of overschrijding van de afleveringstermijn, vanaf de dag waarop de aflevering heeft plaatsgevonden; in alle andere gevallen, vanaf de dag waarop het vorderingsrecht kan worden uitgeoefend. De voor het begin van de verjaringstermijn aangegeven dag wordt niet in de termijn opgenomen. 3. De verjaringstermijn wordt geschorst door een vordering overeenkomstig artikel 29 tot de dag waarop de vervoerder de vordering door middel van een schriftelijke kennisgeving afwijst en de daarbij ingediende documenten retourneert. Indien een deel van de vordering wordt aanvaard, gaat de verjaringstermijn opnieuw in met betrekking tot het gedeelte van de vordering dat wordt betwist. De bewijslast van de ontvangst van de vordering of van de repliek en van de terugzending van de documenten ligt bij de partij die zich op deze feiten beroept. De verjaringstermijn wordt niet geschorst door verdere vorderingen met hetzelfde doel. 4. Een rechtsvordering die verjaard is, kan niet verder worden uitgeoefend, zelfs niet door middel van een tegenvordering of bij wijze van uitzondering. 5. De schorsing en de stuiting van verjaringstermijnen wordt voor het overige beheerst door het nationale recht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel