In het geval de woonkosten boven de grens van de huurtoeslag liggen, kan voor de duur van een jaar een woonkostentoeslag worden toegekend.
Bij de berekening van de bijzondere bijstand wordt de hoge huur eerst verminderd met de normhuur die in een bijstandsnorm is begrepen. De huurlast die dan nog overblijft, wordt verminderd met de draagkracht van een belanghebbende. In de eerste plaats bestaat de draagkracht uit de aflossingscapaciteit binnen een bijstandsnorm (5%). In de tweede plaats is de draagkracht het inkomen boven de bijstandsnorm. Dit moet volledig worden aangewend voor de betaling van de huur. De draagkracht van een belanghebbende bestaat dus uit de aflossingscapaciteit en het eventuele inkomen boven de bijstandsnorm.
Voorbeeldberekening: Inkomen (echtpaar) met WWB-uitkering ad € 1200 per maand (inclusief vt). Aflossingscapaciteit (5% x WWB-norm incl. vt) € 60,00 per maand.
Huur
€ 600,00
Minus normhuur
€ 200,00
€ 400,00
Minus aflossingscapaciteit
€ 60,00 *
Bijzondere bijstand
€ 340,00 per maand
* Als er wordt afgelost op een schuld (die is aangegaan voor noodzakelijke kosten) dan kan de aflossingscapaciteit niet meer in de berekening worden meegenomen.
Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte te verkrijgen, die het best overeenstemt met de eigen financiële omstandigheden en mogelijkheden. De toeslag kan zonodig voor één jaar worden verlengd, als de belanghebbende nog niet heeft kunnen voldoen aan de voorwaarde om goedkopere woonruimte te verkrijgen.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.03
Woonkostentoeslag boven de huurtoeslag huurwoning
Onderdeel van beleidsregel bijzondere bijstand