Naar hoofdinhoud

Artikel 14

Intrekking vergunning

Onderdeel van Lozingsverordening Riolering 1990 III

1.. De vergunning kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken: a. indien de ter verkrijging daarvan verstrekte gegevens zodanig onjuist of anders blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, indien bij de behandeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. indien het beroep of bedrijf niet wordt uitgeoefend overeenkomstig de gegevens vermeld bij de aanvraag voor de vergunning; c. indien de aan de vergunning verbonden voorschriften niet in acht worden genomen; d. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat het van kracht blijven van de vergunning op onaanvaardbare wijze schade zou opleveren: - voor de riolering of voor de goede werking daarvan: - voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie of enig ander werk waarop de riolering is aangesloten of voor de goede werking daarvan, dan wel - voor het ontvangende oppervlaktewater en aan dat bezwaar door het stellen van (nadere) voorschriften redelijkerwijze niet of niet voldoende kan worden tegemoet gekomen. 2.. Vervallen 3.. Een beschikking tot intrekking van een vergunning blijft, tenzij bij de beschikking in spoedeisende gevallen anders wordt bepaald, buiten werking gedurende de voor het beroep gestelde termijn en de behandeling van het beroep. 4.. Artikel 8, lid 7 is van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel