**1..** Onder pensioengrondslag wordt - behoudens de in het 2e lid te noemen uitzondering - in deze verordening verstaan de op grond van de Pensioenwet 1922 (Stbl. No. 240) vastgestelde pensioengrondslag, doch alleen voor zoover deze verband houdt met het bekleeden van betrekkingen, voorkomende op de in artikel 4 genoemde staten A en B.
**2..** Voor den ambtenaar, wiens krachtens de navolgende regelen vastgestelde pensioengrondslag op 1 October 1913 of - indien hij op dien datum nog niet onder de werking der "pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913" viel - op het tijdstip waarop die wet of de Pensioenwet 1922 (Stbl. no. 240) op hem van toepassing wordt, hooger is dan de in het 1e lid van dit artikel omschrevene, wordt de eerstgenoemde pensioengrondslag, zoolang hij hooger blijft, voor de toepassing van deze verordening gehandhaafd met inachtneming van de volgende regelen:
Onder dien eerstgenoemden pensioengrondslag wordt in deze verordening verstaan een voor een zoodanig ambtenaar door Burgemeester en Wethouders vast te stellen bedrag, dat gelijk is aan de som der vaste wedden en vaste toelagen en de waarde der erkende emolumenten.
In de gevallen, waarin geen vaste wedde wordt genoten of de wedde periodiek verandert, wordt de pensioengrondslag volgens daartoe door Burgemeester en Wethouders vast te stellen regelen bepaald.
Bij elke wijziging van een der deelen, waaruit de pensioengrondslag bestaat, wordt deze opnieuw door Burgemeester en Wethouders vastgesteld.
Bij verlaging van wedde wordt de laatst vastgestelde pensioengrondslag bestendigd, tenzij:
die verlaging het gevolg is van wangedrag of van ongeschiktheid veroorzaakt hetzij door onbekwaamheid of door een ongeval, hetzij door lichamelijken of geestelijken achteruitgang, indien dat ongeval of die achteruitgang naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders aan schuld van den belanghebbende te wijten zijn;
de belanghebbende binnen 30 dagen na de weddeverlaging schriftelijk aan Burgemeester en Wethouders verlaging van den pensioengrondslag verzoekt.
De pensioengrondslag wordt op een week- of jaarbedrag vastgesteld naar gelang al of niet weekloon genoten wordt.
Op de ambtenaren, wier pensioengrondslag is vastgesteld op een bedrag per week, zijn de artikelen 11, 12 en 17 van toepassing met dien verstande, dat daarin voor pensioengrondslag gelezen worde een bedrag gelijk aan 52 maal den pensioengrondslag.
Voor een gepensionneerden ambtenaar blijft bestendigd de laatste pensioengrondslag, die gedurende zijne werkzaamheid in dienst der Gemeente was vastgesteld.
Indien voor een ambtenaar verschillende betrekkingen gelijktijdig vervuld worden, wordt voor dien ambtenaar één pensioengrondslag vastgesteld, die gelijk is aan de som der pensioengrondslagen, welke voor elk der bedoelde betrekkingen zouden gelden, indien hij deze afzonderlijk bekleedde.
§ 1.
Artikel 7
Artikel 7
Onderdeel van Verordening op het verleenen van pensioen aan ambtenaren der gemeente en aan hunne weduwen en weezen