Naar hoofdinhoud
1.. Voor een belanghebbende, die tevens recht op een algemeen weduwenpensioen of een algemeen wezenpensioen heeft, wordt daarvan het bedrag, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met de diensttijd, waarnaar het pensioen wordt geacht te zijn berekend, gerekend deel uit te maken van het bedrag van laatstbedoeld pensioen. 2.. Ten aanzien van haar of hem, die op het tijdstip met ingang waarvan voor haar of hem recht op algemeen weduwenpensioen of algemeen wezenpensioen ontstaat, reeds recht op pensioen heeft, vindt het eerste lid van toepassing met ingang van de eerste van de maand waarin het recht op algemeen weduwen- of wezenpensioen is ontstaan of zoveel later als het pensioen is ingegaan. 3.. Het algemeen weduwenpensioen en het algemeen wezenpensioen worden geacht betrekking te hebben op het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen, waarop degene aan wiens overlijden het recht op pensioen wordt ontleend, de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt en die van 65 jaar heeft of zou hebben bereikt. 4.. Indien een weduwe recht heeft op algemeen weduwenpensioen op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onder a, van de AlgemeneWeduwen- en Wezenwet, doch geen van de in evengenoemde bepaling bedoelde kinderen recht heeft op een pensioen, wordt uitgegaan van het bedrag van het algemeen weduwenpensioen, dat geldt voor degenen op wie het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van genoemde wet toepassing vindt. 5.. Als diensttijd, waarnaar het pensioen geacht wordt te zijn berekend, wordt aangemerkt de diensttijd, tot een maximum van 20 jaren, waarnaar het eigen pensioen is afgeleid, met overeenkomstige toepassing van artikel 11b, vierde en vijfde lid. 6.. Artikel 11b, derde lid, artikel 11d, derde lid, en de artikelen 11e en 11f vinden overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel