Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.3

Aanspraak op een individuele vervoersvoorziening

Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011

1.. Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 4.1 lid 2, 3 en 4 vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien: een collectief systeem als bedoeld in artikel 4.1 lid 1 niet aanwezig is. objectief aantoonbare beperkingen op grond van functionele, chronisch psychische en/of psychosociale factoren het gebruik van een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 lid 1 onmogelijk maken. 2.. Voor de bij artikel 4.1 lid 2 genoemde voorzieningen geldt dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 4.1 lid 1 kunnen worden verstrekt. 3.. Een ondersteuningsvrager kan voor de in artikel 4.1 lid 2 sub b en c benoemde voorziening alleen in aanmerking komen als hij kan beschikken over een adequate stallingruimte, dan wel beschikt over een ruimte die voor stalling geschikt kan worden gemaakt. 4.. De ondersteuningsvrager kan in aanmerking worden gebracht voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 lid 4 sub a en b, indien het gebruik hiervan medisch noodzakelijk is om te voorzien in de vervoersbehoefte. 5.. Voor zover de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend, zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 4 sub a en b. 6.. Om in aanmerking te komen voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.1, lid 2 is een eigen bijdrage verschuldigd, zoals genoemd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. 7.. Om in aanmerking te komen voor een voorziening als bedoeld in artikel 4.1, lid 3 is een eigen aandeel verschuldigd, zoals genoemd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel