Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 3.4

Artikel 3.4.2

Late Middeleeuwen

Onderdeel van Nota archeologiebeleid

Vanaf de Late Middeleeuwen (1050-1500) komen de nederzettingen Blaricum, Eemnes en Laren tot bloei. De kernen van Blaricum en de nieuwe nederzetting van Laren ontwikkelen zich gedurende deze periode en de opeenvolgende Nieuwe Tijd tot zogenaamde esdorpen. Hier lag het bouwland (akkers) bijeen in essen of enken. Door middel van jaarlijkse plaggenbemesting werd de vruchtbaarheid van deze gronden verhoogd. Door het opbrengen van plaggen kwam het maaiveld steeds hoger te liggen, waardoor de thans nog herkenbare bolling in de akkers optrad. De plaggenmest bestond uit afgestoken heide, vermengd met mest van vee. Rondom de esdorpen lagen uitgestrekte heidevelden. Door begrazing met schapen werd voorkomen dat deze velden dichtgroeiden. Tevens zorgden de schapen voor de benodigde mest voor de akkers van de dorpen. Blaricum. Zoals vermeld is het dorp waarschijnlijk ontstaan uit een vroegmiddeleeuwse nederzetting. Blaricum was vermoedelijk een klein buurtschap met hier en daar hutten en eenvoudige huisjes. De kleine boeren maakten gebruik van het omliggende weidegebied. In 1381/82 komt men Blaricum voor het eerst tegen in de archieven. In het midden van de 15e eeuw had Blaricum 65 haardsteden (huizen). Net als Laren was Blaricum een klein esdorp, dat in het kielzog van Laren – mede door de aansluiting op het tramnet van de Gooise Stoomtram in 1882 – een vestigingsplaats werd voor rijke Amsterdammers en kunstenaars. Bijzonder aan Blaricum is dat het tegen de grens met Laren van 1899 tot 1911 de Kolonie van de Internationale Broederschap van Prof. Jacob van Rees huisvestte. Laren. Op de oudste kaart van het Gooi (figuur 3) is te zien dat er sprake is van twee plaatsaanduidingen Laren, namelijk zowel bij het Sint Janskerkhof als bij de Brink. De algemene geschiedschrijving is dat de bebouwing van Laren van de 7e eeuw tot in de 15e eeuw hoger tegen de stuwwal lag en daarna afzakte naar het lager gelegen gebied, dichter bij het grondwater en weidegronden. Dat water was gezakt door het verdwijnen van het veen rondom de Gooise hoogten. Vanaf omstreeks 1260 heeft op het Sint Janskerkhof een stenen parochiekerk gestaan, gewijd aan Sint Vitus, waarschijnlijk als opvolger van een houten voorganger. De kerk is in 1586 afgebroken (Van der Voort 2010). Voor de 16de eeuw ontstaat het es- of brinkdorp Laren op de plaats van het huidige Laren. Daar lag een poel die gebruikt werd als drenkplaats voor het vee. Het was het laagst gelegen gedeelte van de nederzetting. Deze vijver had de naam ‘Coeswaerde’ (afgeleid van Koewade, oftewel de drenkplaats voor de koeien) (Tol 1986, Historische Kring Laren). Hier omheen vormde zich de brink: een langgerekt driehoekig plein, omzoomd door boerderijen. Eemnes. In het zuidoostelijke puntje van de huidige gemeente Eemnes is de eerste bewoningskern van het dorp gelegen, thans Eembrugge geheten. Deze nederzetting dateert uit de twaalfde eeuw. De ligging is te verklaren uit het feit dat hier de eerste veenontginningen aanvingen. Het zwaartepunt van deze nederzetting Ter Eem lag echter ten oosten van de Eem tegenover de Nes. Kasteel Huis Ter Eem dateert van 1347 en is dus jonger dan de nederzetting. De eerste kerk van Ter Eem werd er ter plekke aan opgeofferd of in verwerkt. Na 1200 werd ook het gebied ten westen van de Eem ontgonnen. Voor de ontginning werd een kade (de Zomerdijk) aangelegd van waaruit in langgerekte stroken vanaf de Eem naar het westen toe werd ontgonnen. Aan de noordkant van dit nieuwe te ontginnen deel ontstond de Zuidwend, een brede strook gemeenschappelijke grond tussen de Eem en het Gooi. Deze strook was eigendom van de gemeenschap, i.c. de (dorps)kerk). Deze werd niet ontgonnen en bleef hoger dan de inklinkende ontgonnen grond ten zuiden en (later) ten noorden daarvan en vormde op die manier een natuurlijke barrière tegen het uit het noorden komende water. Pas na 1300 kon het noordelijke deel van Eemnes ontgonnen worden. De in de zeventiende eeuw afgegraven Zuidwend vormde daarna de grens voor de zuidelijke ontginning die Zuidpolder is genoemd en de noordelijke ontginning die Noordpolder is genoemd. Door de ontginning trad inklinking van de bodem op en verschoof men de ontginning noodgedwongen langzaamaan naar het westen op waar de bodem langzaam hoger op liep. Omstreeks 1325 werd door de graaf van Holland een noord-zuid gerichte lijn door het veen getrokken door middel van een greppel, de “rade”. Deze liep langs waar nu de Wakkerendijk/Meentweg ligt. Ten oosten van de rade werd Oost-Holland genoemd, waar de graaf de Eemnessers aanbood om te komen wonen en te ontginnen. Niet lang na 1325 werd een dijk opgeworpen die de achterkade vormde van deze Hollandse ontginning, waardoor ook een pad of weg ontstond, die later Wackerswech werd genoemd. De verhuizing van Eemnessers naar Oost-Holland leidde in 1346 tot conflicten met de bisschop van Utrecht, Jan van Arkel. Hij liet de nieuwe Hollandse nederzetting (Eemnes-Buiten) afbranden in 1346 en 1348. Uiteindelijk werd in 1356 definitief de vrede getekend en ontstond globaal de begrenzing van de huidige gemeente Eemnes. Eemnes-Buiten kreeg in 1352 stadsrechten en bouwde daarna de huidige Nicolaaskerk op de plaats waar het eerste houten kerkje stond. Eemnes-Binnen, behoorde nog geruime tijd tot de jurisdictie van Ter Eem tot het in 1439 zelfstandig werd, stadsrechten kreeg en daarna zijn Pieterskerk bouwde. Beide nederzettingen hebben zich langs de huidige Wakkerendijk verder uitgebreid.

Rechtspraak bij dit artikel