Algemeen:
Het archeologiebeleid van de provincie Noord-Holland richt zich op het bewaren van het erfgoed in de bodem (in situ). De provincie streeft ernaar het behoud als afwegingscriterium mee laten wegen, zowel in de provinciale ruimtelijke plannen als in de plannen die zij toetst.
De locatie van de meeste archeologische vindplaatsen is onbekend, omdat deze plekken veelal onder het maaiveld verborgen liggen. Om deze waarden te beschermen streeft de provincie ernaar deze overblijfselen zo vroeg mogelijk in de planontwikkeling door een archeologisch vooronderzoek te lokaliseren en waarderen. Bij toetsing door provincie wordt nagegaan of bij de planvorming voldoende archeologisch vooronderzoek is verricht.
Wanneer behoud in situ niet mogelijk is, wordt allereerst vastgesteld of de aantasting van de archeologische waarden onvermijdelijk wordt geacht. De provincie is van mening dat er een zwaarwegend maatschappelijk belang in het geding moet zijn, wil de aantasting als onvermijdelijk worden aangemerkt. Daarnaast moet worden vastgesteld of er redelijkerwijs geen alternatieve oplossingen voorhanden zijn. Indien de aantasting onvermijdelijk is dient de informatie van het bodemarchief te worden veiliggesteld door middel van een wetenschappelijk verantwoord onderzoek, uitgevoerd volgens algemeen geldende normen/richtlijnen KNA.
Met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg (per 1 september 2007) zijn gemeenteraden verplicht om bij de vaststelling van hun bestemmingsplan rekening te houden met in de grond aanwezige en verwachte archeologische monumenten. In de praktijk betekent dit dat er archeologisch vooronderzoek dient te worden uitgevoerd bij de voorbereiding van een bestemmingsplan.
Terreinen die beschermd zijn via de Monumentenwet of via een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening moeten op de verbeelding/plankaart aangeduid zijn. Eveneens adviseert de provincie Noord-Holland de gemeenten aan gebieden via het bestemmingsplan te beschermen waarvoor de aanwezigheid van de archeologische waarden nog niet vaststaan, maar die wel een hoge archeologische verwachting hebben. Deze gebieden kunnen aangewezen worden als archeologisch waardevol gebied.
In ieder bestemmingsplan moeten ter bescherming van de archeologische waarden regels/voorschriften worden opgenomen. Via een omgevingsvergunning kunnen voor het uitvoeren
van activiteiten/werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor het archeologische erfgoed, voorwaarden worden verbonden. In voorkomende gevallen wordt in het bestemmingsplan voor archeologie een dubbelbestemming opgenomen en wordt aangegeven dat een archeologisch bodemonderzoek dient te worden overgelegd.
Ontgrondingen:
Met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg is een nieuw artikel, lid 3a, aan de Ontgrondingenwet toegevoegd. Dit artikel bepaalt dat archeologisch vooronderzoek in de vorm van een rapport kan worden geëist voor ontgrondingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen voorwaarden aan de te verlenen ontgrondingsvergunning worden verbonden. Deze voorwaarden kunnen slaan op het nemen van technische maatregelen, de verplichting tot het uitvoeren van een archeologische opgraving of de verplichting om de ontgronding archeologisch te laten begeleiden.
De provincie Noord-Holland eist dat met een ontgrondingaanvraag een archeologisch rapport wordt ingediend, waarin de archeologische waarde van het betreffende terrein is vastgesteld. Wanneer is gebleken dat de archeologische waarde aangetast gaat worden vanwege een zwaarwegender maatschappelijk belang, dient de informatie van het bodemarchief te worden veiliggesteld door middel van een wetenschappelijk verantwoord onderzoek, uitgevoerd volgens algemeen geldende normen/richtlijnen, de KNA.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.4
Artikel 4.4.1
Beleid provincie Noord-Holland
Onderdeel van Nota archeologiebeleid