Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 13

Vaststelling hoogte bestuurlijke boetes

Onderdeel van Verordening inburgering gemeente Dinkelland 2011

1.. De bestuurlijke boete bedraagt voor de duur van één maand tien procent van de bijstandsnorm zoals deze voor de inburgeringsplichtige geldt of zou gelden, als de inburgeringsplichtige belanghebbende in de zin van de Wet werk en bijstand zou zijn, indien de inburgeringsplichtige, of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is, geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek als bedoeld in artikel 25, vierde lid van de wet. De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per overtreding maximaal het in artikel 34, aanhef en onder a. van de wet vermelde bedrag. 2.. a. De bestuurlijke boete bedraagt twintig procent van de voor de inburgeringsplichtige toepasselijke bijstandsnorm voor de duur van één maand, indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening als bedoeld in artikel 23, eerste lid van de wet of aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van deze verordening. b. De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per overtreding maximaal het in artikel 34, aanhef en onder b. van de wet vermelde bedrag. 3.. a. De bestuurlijke boete bedraagt veertig procent van de voor de inburgeringsplichtige toepasselijke bijstandsnorm voor de duur van één maand, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid van de wet bedoelde termijn of niet binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onder a. en b. van de wet verlengde termijnen het inburgeringsexamen heeft behaald. b. De bestuurlijke boete op grond van dit lid bedraagt per overtreding maximaal het in artikel 34, aanhef en onder c. van de wet vermelde bedrag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel