Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2

Artikel 11

Overige verwijtbare gedragingen

Onderdeel van Maatregelenverordening 2004

1. Indien belanghebbende later, dan op grond van de wet of beleid is toegestaan, terugkeert van vakantie of verblijf in het buitenland wordt de bijstand verlaagd met 20% van de bijstandsnorm gedurende een termijn van een maand als sprake is van arbeidsverplichtingen of andere verplichtingen genoemd in het trajectplan, dan wel sprake is van anderszins door het dagelijks bestuur toegestane scholing. 2. Indien belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur eerder bijstandsafhankelijk wordt door: a. verwijtbaar te snel interen op het vermogen; of b. het doen van een schenking, hieronder tevens begrepen het accepteren van een onderbedeling bij boedelscheiding en het verkopen van een woning onder de marktprijs; verlaagt het dagelijks bestuur de norm overeenkomstig art. 10, tweede lid, van deze verordening. 3. Indien belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur de alimentatieverplichting als bedoeld in art. 56 van de wet niet nakomt, verlaagt het dagelijks bestuur de norm met maximaal 30% gedurende 3 maanden. 4. a. Indien belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur verwijtbaar geen of niet tijdig een aanvraag ingevolgde een voorliggende voorziening heeft ingediend of voortgezet, en voor deze kosten een beroep gedaan wordt op bijzondere bijstand, verlaagt het dagelijks bestuur de bijzondere bijstand met maximaal 100% gedurende de maanden waarover recht op de voorliggende voorziening had bestaan. b. Indien belanghebbende anderszins als gevolg van een verwijtbare gedraging een beroep doet of blijft doen op bijzondere bijstand, verlaagt het dagelijks bestuur de bijzondere bijstand overeenkomstig hetgeen het dagelijks bestuur proportioneel acht. c. Indien belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur verwijtbaar geen of niet tijdig een aanvraag ingevolge een voorliggende voorziening voor levensonderhoud, heeft ingediend of voortgezet, verlaagt het dagelijks bestuur de norm overeenkomstig art. 9 vierde lid van deze verordening. 5. Indien belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende verzekerd is en hierdoor bijzondere bijstand aanvraagt, verlaagt het dagelijks bestuur de bijzondere bijstand met het bedrag waarop krachtens de gebruikelijke verzekering recht bestaat. 6. Indien belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur zich zeer ernstig misdraagt tegen medewerkers werkzaam bij de ISD, CWI en reïntegratiebedrijven, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, verlaagt het dagelijks bestuur de norm met een door het dagelijks bestuur vast te stellen percentage gedurende een door het dagelijks bestuur vast te stellen periode, met een maximum van 30% gedurende 3 maanden. 7. Indien belanghebbende anderszins blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan verlaagt het dagelijks bestuur de bijstand geheel of gedeeltelijk. 8. De afstemming op grond van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid de bijstand tevens te verstrekkeen in de vorm van een geldlening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel