**1..** Het college stelt de verlaging van de uitkering vast op:
5% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;
10% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;
20% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie;
100% van de uitkeringsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie;
blijvende weigering van uitkering bij gedragingen van de vijfde categorie zover het verloren of niet behouden inkomen meer bedraagt dan de uitkeringsnorm per maand;
blijvende verlaging van het deel van de uitkering bij gedragingen van de vijfde categorie wat gelijk is aan het verloren of niet behouden inkomen zover dit minder bedraagt dan de uitkeringsnorm per maand.
**2..** Het college kan afzien van het verlagen van de uitkering en volstaan met een schriftelijke waarschuwing bij een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 2 categorie 1 tot en met 3 indien in de voorafgaande twee jaar geen sprake is geweest van een andere verwijtbare gedraging en de verwijtbare gedraging niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag.
**3..** Het college kan, in afwijking van het eerste lid, het percentage of de duur van de verlaging hoger of lager vaststellen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.
Hoofdstuk 2
Artikel 3