Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 9

Tijdelijke onttrekking

Onderdeel van Verordening wijziging woningvoorraad 2011

1.. Burgemeester en wethouders verlenen voor een tijdelijke woonruimteonttrekking alleen een onttrekkingsvergunning indien de aanvrager aantoont dat een situatie bestaat die een tijdelijke woonruimteonttrekking rechtvaardigt en waarbij vast staat dat die woonruimteonttrekking niet langer dan vijf jaar zal duren; 2.. Burgemeester en wethouders nemen in de vergunning een termijn op, waarna de onttrekking moet zijn beëindigd. Deze termijn bedraagt niet meer dan vijf jaar. 3.. Burgemeester en wethouders kunnen conform artikel 8 lid 2 financiële compensatie eisen. Deze compensatie bedraagt dan 10% van die compensatie, vermenigvuldigd met het aantal jaren waarvoor de tijdelijke onttrekkingsvergunning is verleend. 4.. Burgemeester en wethouders kunnen aan de onttrekkingsvergunning voor tijdelijke woonruimteonttrekking de voorwaarde verbinden dat de vergunninghouder een waarborgsom stort die gelijk is aan het bedrag conform lid 3. 5.. De waarborgsom als bedoeld in lid 3 wordt aan de vergunninghouder terugbetaald nadat de onttrekking binnen de termijn als bedoeld in lid 2 is beëindigd. 6.. De waarborgsom als bedoeld in lid 4 vervalt aan het in artikel 8 lid 5 genoemde fonds indien de onttrekking niet binnen de termijn als bedoeld in lid 2 is beëindigd. 7.. De onttrekking zal pas mogen plaatsvinden als de verschuldigde bijdrage of waarborgsom is voldaan. 8.. Na afloop van de in lid 2 genoemde termijn moet binnen twaalf weken de woonruimte weer toegevoegd zijn aan de woningvoorraad, ten minste in de staat waarin de woonruimte verkeerde ten tijde van de indiening van de aanvraag om onttrekking.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel