**4.9.1.** Landschappelijke kenmerken
Het agrarische buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe bestaat uit oeverwallen, kommen en uiterwaarden. In de uiterwaarden komt in principe geen bebouwing voor, uitgezonderd de steenfabrieken en jachthavens. Het komgebied dat lange tijd te nat was om te bebouwen is pas in de afgelopen honderd jaar intensief in gebruik genomen. Door de rechte wegen die zijn aangelegd konden de boomkwekerijen zich hier uitbreiden. Nog steeds is er weinig bebouwing in de komgebieden en de boerderijen die er staan zijn niet oud. Nabij de Rijn en de Waal volgen de wegen de loop van de oeverwallen en de rivier, waardoor ze kronkelig zijn. Op de oeverwallen is van oudsher meer bebouwing aanwezig dan in het open komgebied. Soms komt er een verdichting van bebouwing voor, zoals bij de gehuchten Eldik en Wely.
In het buitengebied zijn er verschillende boerenerven te onderscheiden. Zo zijn er veel historische of oude erven te vinden met forse hoofdgebouwen, waarbij de woning en de schuur zich onder één dak bevinden. Eventuele bijgebouwen en het hoofdgebouw vormen samen met opgaande beplanting en een omgevende haag een compleet ensemble als historisch boerenerf. Eldik Engelandstraat De afstand van de boerderijen tot de weg is variabel. Enkele grote historische boerderijen in het agrarische buitengebied staan geregistreerd als gemeentelijk of rijksmonument.
Daarnaast zijn er nieuwere agrarische bedrijven, met vaak een kleiner hoofdgebouw dat alleen het wonen herbergt. Deze vormt een cluster met de daarom heen staande, grote schuren. De ensemblewerking met bomen ontbreekt hier deels. In het buitengebied van de gemeente Neder-Betuwe staan ook burgerwoningen in rijtjes of twee-onder-één-kap woningen. Medensteinsestraat Arbeiderswoningen Pijpstraat Kenmerken bebouwingsbeeld
De hoofdgebouwen behoren meest of tot het Hallehuis-type, bestaande uit één bouwlaag met een hoge, forse kap en een lage daklijst, of het T-boerderij-type, waarbij het woonhuis van twee bouwlagen het voorhuis vormt met daarachter de lagere schuur met forse kap. Als gevelmateriaal is aardkleurige baksteen gebruikt, deels ook wit gepleisterd. Vooral bij de oudere boerderijen komen (gedeeltelijk) met rietbedekte zadeldaken met wolfseinden voor. De daken, die divers van vorm zijn, zijn ook afgedekt door rode of donkere dakpannen. Jongere woningen hebben over het algemeen een donkergekleurd pannen zadeldak. Gevelindelingen van de T-boerderijen zijn verticaal, maar bij de Hallehuisboerderijen is dat niet altijd zo duidelijk. De indeling is hier vaak deels verticaal, deels horizontaal. De boerderijen zijn voorzien van details zoals daklijsten, windveren, plinten, luiken, dakkapellen of dakramen. Kleuren van kozijnen, daklijsten en deels windveren zijn wit of licht, deuren en luiken hebben meest een groene kleur.
Opvallend in deze gemeente zijn de compacte schuren die bij de laanboomkwekerijen horen, deze zijn goed in te passen in de historische erven. Schuren laanboomkwekerij bij Opheusden Bebouwing Welysestraat Veranderingsproces
In het agrarische buitengebied is nu sprake van een matige dynamiek. Functieveranderingen van panden veroorzaken geen grootschalige aanpassingen. Wel kunnen schuren veranderen of bijgebouwd worden, waardoor de totale massa toe kan nemen. Ook het veranderen van boerderijen in burgerwoningen brengt vaak een andere erfinrichting met zich mee en een ‘oppoetsing' van de woning die niet altijd zo gelukkig hoeft te zijn voor het karakter van een erf in het buitengebied. Incidenteel is al nieuwe bebouwing ingepast.
**4.9.2.** Algemeen
Het welstandstoezicht is gericht op het behoud van het karakter van het agrarische buitengebied. De belangrijkste karakteristieken zijn de verschillen in de drie landschappen met daarin verspreid staande bebouwing. Verdichting en schaalvergroting zijn slechts in beperkte mate mogelijk. Essentieel is het in stand houden van het onderscheid tussen agrarische bebouwing in het buitengebied en de burgerwoningen binnen de kernen. Het beleid is gericht op het creëren van samenhang en continuïteit tussen de bebouwing en het omliggende buitengebied. Differentiatie welstandsniveaus
De cultuurhistorisch waardevolle gebieden, de historische bebouwingslinten van Hien en Wely, de buurtschappen zoals Pottum en Eldik, de gemeentelijke en rijksmonumenten en de directe omgeving ervan, de natuurgebieden, de Linge en infrastructurele lijnen die belangrijk zijn voor de hoofdstructuur van de gemeente vallen allemaal onder welstandsniveau 1. Deze structuren, gebieden en objecten zijn van cruciale betekenis voor het totaalbeeld van het landschap. Het agrarische buitengebied met het weidevogelgebied Dodewaardse veld valt onder welstandsniveau 2. Hier is het voldoende om alert te blijven op ruimtelijke ontwikkelingen.
**4.9.3.** Situering
1. Hoofdbebouwing staat aan de straatzijde
2. Bebouwing is met de voorgevel gericht op de weg
3. Bedrijfsbebouwing ligt achter de voorgevelrooilijn
4. Woonhuis en bedrijfsgebouwen worden zoveel als mogelijk geclusterd op het erf
5. Silo’s en mestopslagen dienen zoveel als mogelijk ingepast te worden in het totaal aan erfbebouwing
6. Richting van de bebouwing is afgeleid van elementen in het landschap. Massa en vorm hoofdgebouw
7. Bij renovatie of verbouw van boerderijen dient de originele vorm het uitgangspunt te zijn
8. Uitbreiding van de woonfunctie binnen een bestaande boerderij mag niet ten koste gaan van de uiterlijke verschijningsvorm. Onderscheid tussen woon- en (voormalig) bedrijfsgedeelte moet herkenbaar blijven
9. Woongebouwen bestaan uit een onderbouw van 1 tot 1,5 laag met een kap Massa en vorm bijgebouwen
10. Bedrijfsgebouwen bestaan uit een onderlaag met plint en een (flauw) hellend zadeldak
11. Bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en zijn eenvoudig van vorm Gevels
12. Gemetselde gevels met openingen voor ramen en deuren
13. Bij verbouw en renovatie dient aansluiting gevonden te worden bij de bestaande gevelopeningen van het pand
14. Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de straat moeten met aandacht worden vormgegeven.
15. In de gevelopbouw moet een begrenzing van de onderzijde plint en een begrenzing van de bovenzijde goot- of kroonlijst zichtbaar zijn.
16. Ramen zijn veelal voorzien van een kalf Kleur- en materiaalgebruik
17. Woongebouwen worden opgetrokken in uit aardkleurige baksteen en dakpannen of riet
18. Kleuren dienen bij voorkeur afgestemd te zijn op het aansluitende landschap
19. Grote vlakken van bedrijfsgebouwen bestaan uit materiaal met een structuur zoals baksteen, houten betimmering, metaal- of golfplaat; metaal- en golfplaten alleen voor grote volumes
20. Daken van bedrijfsgebouwen zijn bij voorkeur donkergrijs
Hoofdstuk 4
Artikel 4.9
Deelgebied 9: agrarisch buitengebied inclusief bebouwingslinten en gehuchten
Onderdeel van Welstandsnota 2011