Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5:6

Flankerend beleid ouderen

Onderdeel van Sociaal Statuut 2011

1.. In het kader van leeftijdsfasebewust personeelsbeleid kan het bevoegd gezag besluiten een medewerker van 60 jaar en ouder of de medewerker als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, bovenformatief te plaatsen in een functie met als doel diens kennis en ervaring voor de organisatie te behouden. 2.. Het bevoegd gezag kan een medewerker, die geboren is vóór 1 januari 1950 en die tenminste sinds 1 april 1997 doorlopend in dienst is geweest bij een werkgever die bij het ABP is aangesloten, en die bij het besluit als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid van deze regeling is aangewezen als herplaatsingskandidaat, op diens verzoek buitengewoon verlof verlenen tot aan het moment waarop de medewerker de spilleeftijd bereikt als bedoeld in de FPU. 3.. Gedurende de periode van buitengewoon verlof, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, bedraagt de bezoldiging gedurende de eerste 15 maanden 80% en vervolgens 70% van de laatstgenoten bezoldiging, terwijl de afdracht van pensioenpremie geschiedt op basis van de volledige laatstgenoten bezoldiging. 4.. Tijdens de periode van buitengewoon verlof, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, wordt geen vakantieverlof meer opgebouwd en worden nog bestaande rechten op vakantieverlof geacht te zijn genoten. 5.. Gelijktijdig met het verzoek om buitengewoon verlof, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, verzoekt de medewerker om ontslag wegens FPU, op grond van artikel 8:11 van de CAR, met ingang van de datum waarop de medewerker de spilleeftijd, als bedoeld in de Regeling FPU-gemeenten, bereikt. 6.. Het is de medewerker niet toegestaan gedurende de periode van buitengewoon verlof, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, anders dan met instemming van de werkgever, betaalde nevenwerkzaamheden te verrichten dan wel te gaan verrichten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel