Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7

Artikel 24

Inwerkingtreding

Onderdeel van Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Leeuwarden 2015

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 onder gelijktijdige intrekking van de Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 (geconsolideerde versie) van de voormalige gemeente Leeuwarden en de Afstemmings- en fraudeverordening Wet werk en bijstand 2006 van de voormalige gemeente Boarnsterhim. 2. Deze gewijzigde verordening treedt in werking een dag nadat zij is bekendgemaakt en geldt voor geconstateerde gedragingen na deze datum. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 24 november 2014. ,voorzitter ,griffier Toelichting Algemeen Rechten en plichten in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ In de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger om in zijn levensonderhoud te voorzien centraal. Pas als men hier niet toe in staat blijkt te zijn kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning door de overheid. In dit verband ligt de nadruk op zowel de vangnetgedachte van de inkomensvoorzieningen als de rechten en plichten van de belanghebbende. De gemeente heeft een verantwoordelijkheid ten aanzien van de wijze waarop de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden worden ingevuld. Mede met het oog op de rechtszekerheid van een uitkeringsgerechtigde worden gemeenten door de nationale wetgever in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ, verplicht om hun beleid op dit punt vast te leggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Aan het recht op een uitkering is altijd de plicht gekoppeld om zich in te zetten zo spoedig mogelijk weer uitkeringsonafhankelijk te worden. Dit brengt met zich mee dat de hoogte van de uitkering niet slechts wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke bijstandsnorm (Participatiewet) of de toepasselijke grondslag (IOAW en IOAZ) en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar dat deze hoogte tevens afhankelijk is van de mate waarin een belanghebbende naar vermogen een verplichting als bedoeld in artikel 18, eerste en vierde lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, niet nakomt. Als het college vaststelt dat een uitkeringsgerechtigde een verplichting als bedoeld in artikel 18, eerste en vierde lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, niet of in onvoldoende mate nakomt, is het in beginsel gehouden de uitkering te verlagen. Daarnaast weigert het college op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ in beginsel de uitkering geheel of gedeeltelijk indien een daarin vastgelegde gedraging wordt begaan. Er zijn echter gevallen waarin het college niet verplicht is om een verlaging op te leggen of tot weigering van de uitkering over te gaan. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Daarnaast is het college verplicht om op grond van de artikelen 4 en 5 van deze verordening, alsmede artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet, een verlaging of een weigering te matigen indien het daartoe dringende redenen aanwezig acht. Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Deze verordening bevat geen regels met betrekking tot de sanctionering van een schending van de inlichtingenplicht in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, en artikel 13, eerste lid, van de IOAZ. De toepasselijke sanctie is in een dergelijk geval de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a van de Participatiewet, artikel 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ. Deze bestuurlijke boete is een punitieve, dat wil zeggen op leedtoevoeging gerichte, sanctie. Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand op grond van deze verordening in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Een verlaging krachtens deze verordening is normaliter, bijvoorbeeld wegens schending van een arbeidsverplichting, reparatoir van aard. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden veroordeeld. De verlaging en de strafrechtelijke veroordeling kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om respectievelijk een reparatoire en een punitieve sanctie. Een verlaging die is opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen heeft echter een punitief, op leedtoevoeging gericht karakter (o.a. ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811 en ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052). Het opleggen van een verlaging en een strafrechtelijke veroordeling voor, min of meer, dezelfde feitelijke gedraging is niet toegestaan (Ne bis in idem). Artikelsgewijs

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel