In deze verordening wordt verstaan onder:
de WWB: de Wet Werk en Bijstand;
de belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks
bij een besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en
welke in deze verordening ook wordt aangeduid met de
alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin of “hij”,
“hem” of “hen”;
de alleenstaande: de ongehuwde van 21 jaar of ouder
die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen
gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft
een bloedverwant in de tweede graad waarbij er bij één van de
bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte en
in wiens woning niet één of meer meerderjarige kinderen hun
hoofdverblijf hebben;
de alleenstaande ouder: de ongehuwde van 21 jaar of
ouder die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last
komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een
ander tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad
waarbij er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad
sprake is van zorgbehoefte en in wiens woning niet één of meer
meerderjarige kinderen hun hoofdverblijf hebben;
het gezin: de gehuwden of geregistreerd partners,
danwel daarmee op grond van artikel 3, lid 3 en 4 WWB daarmee
gelijkgestelden tezamen met of zonder tot hun laste komende
kinderen en met of zonder hun meerderjarige kinderen, die hun
hoofdverblijf in dezelfde woning als het gezin hebben,
of
de alleenstaande of alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder met één of
meer meerderjarige kinderen, die hun hoofdverblijf in dezelfde woning
als de aleenstaande of alleenstaande ouder hebben;
het kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of
stiefkind of pleegkind en, voor zover het een meerderjarig kind
betreft, de echtgenoot van het eigen kind of het stiefkind
(aanverwantschap);
het ten laste komende kind: het kind, jonger dan 18
jaar, voor wie de alleenstaande ouder of het gezin aanspraak op
kinderbijslag kan maken;
het inwonend meerderjarig kind: het kind ouder dan 18
jaar, dat hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als de
alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin, waarmee
bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat.
de woning: een besloten ruimte, die, al dan niet
tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is
voor bewoning door een huishouden (Huisvestingswet);
onder een woning wordt tevens verstaan een woonwagen en
een woonschip;
de woonkosten:
indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
rekenhuur als bedoeld in de Wet op de Huurtoeslag;
indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de
in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
zakelijke lasten;
indien een woonwagen in huur danwel in eigendom wordt bewoond,
de tot een bedrag per maand herleidde woonkosten;
onder zakelijke lasten wordt verstaan:
het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting.
de waterschapslasten (excl. verontreinigingsheffing en
ingezetenenheffing).
een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor de
kosten van groot onderhoud.
de hoofdbewoner: de persoon op wiens naam de woning
staat en in die woning zijn hoofdverblijf heeft;
de inwonende: de persoon die zijn hoofdverblijf in
een woning heeft waarvan hij niet de hoofdbewoner is;
het wettelijk minimumloon: het minimumloon per maand,
genoemd in artikel 8, lid 1, sub a van de Wet minimumloon en
minimumvakantietoeslag, verhoogd met de aanspraak op
vakantietoeslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van
die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na
aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies
volksverzekeringen en de vergoeding als bedoeld in artikel 46
van de Zorgverzekeringswet.
de verzorgingsbehoevende: het meerderjarig lid van
een gezin dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in
artikel 4, lid 5 van de WWB.
de crisissituatie: een situatie van noodopvang bij
een andere alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin,
nadat men plotseling door omstandigheden niet meer beschikt over
woonruimte, voor zolang deze situatie niet langer duurt dan twee
maanden;
de kostganger: een persoon die aantoonbaar tegen
betaling van een commerciële prijs kost en inwoning bij een
andere alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin, waarmee
geen bloed- of aanverwantschap bestaat, heeft;
onder een commerciële prijs wordt verstaan:
een bedrag ter hoogte van minimaal 40% van het wettelijk minimumloon per
maand.
de onderhuurder: een persoon die aantoonbaar tegen
betaling van een commerciële prijs een deel van een woning van
een alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin, waarmee
geen bloed- of aanverwantschap bestaat, huurt;
onder een commerciële prijs wordt verstaan:
een bedrag ter hoogte van minimaal 15% van het wettelijk minimumloon per
maand.
de zwervende: een persoon die geen woning
bewoont;
de woningkraker: een persoon die een woning bewoont
waaraan geen woonkosten geacht worden te zijn verbonden, tenzij
aantoonbaar het tegendeel blijkt;
het college: het college van Burgemeester en
Wethouders van de gemeente Achtkarspelen;
de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente
Achtkarspelen.
Hoofdstuk 1.
Artikel 1
Begripsomschrijving
Onderdeel van Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB 2012