Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1

Begripsomschrijving

Onderdeel van Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB 2012

In deze verordening wordt verstaan onder: de WWB: de Wet Werk en Bijstand; de belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en welke in deze verordening ook wordt aangeduid met de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin of “hij”, “hem” of “hen”; de alleenstaande: de ongehuwde van 21 jaar of ouder die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad waarbij er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte en in wiens woning niet één of meer meerderjarige kinderen hun hoofdverblijf hebben; de alleenstaande ouder: de ongehuwde van 21 jaar of ouder die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad waarbij er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte en in wiens woning niet één of meer meerderjarige kinderen hun hoofdverblijf hebben; het gezin: de gehuwden of geregistreerd partners, danwel daarmee op grond van artikel 3, lid 3 en 4 WWB daarmee gelijkgestelden tezamen met of zonder tot hun laste komende kinderen en met of zonder hun meerderjarige kinderen, die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als het gezin hebben, of de alleenstaande of alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder met één of meer meerderjarige kinderen, die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de aleenstaande of alleenstaande ouder hebben; het kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of pleegkind en, voor zover het een meerderjarig kind betreft, de echtgenoot van het eigen kind of het stiefkind (aanverwantschap); het ten laste komende kind: het kind, jonger dan 18 jaar, voor wie de alleenstaande ouder of het gezin aanspraak op kinderbijslag kan maken; het inwonend meerderjarig kind: het kind ouder dan 18 jaar, dat hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin, waarmee bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat. de woning: een besloten ruimte, die, al dan niet tezamen met één of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden (Huisvestingswet); onder een woning wordt tevens verstaan een woonwagen en een woonschip; de woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende rekenhuur als bedoeld in de Wet op de Huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten; indien een woonwagen in huur danwel in eigendom wordt bewoond, de tot een bedrag per maand herleidde woonkosten; onder zakelijke lasten wordt verstaan: het eigenaarsdeel van de onroerend zaakbelasting. de waterschapslasten (excl. verontreinigingsheffing en ingezetenenheffing). een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor de kosten van groot onderhoud. de hoofdbewoner: de persoon op wiens naam de woning staat en in die woning zijn hoofdverblijf heeft; de inwonende: de persoon die zijn hoofdverblijf in een woning heeft waarvan hij niet de hoofdbewoner is; het wettelijk minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, lid 1, sub a van de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag, verhoogd met de aanspraak op vakantietoeslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet. de verzorgingsbehoevende: het meerderjarig lid van een gezin dat voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 4, lid 5 van de WWB. de crisissituatie: een situatie van noodopvang bij een andere alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin, nadat men plotseling door omstandigheden niet meer beschikt over woonruimte, voor zolang deze situatie niet langer duurt dan twee maanden; de kostganger: een persoon die aantoonbaar tegen betaling van een commerciële prijs kost en inwoning bij een andere alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, heeft; onder een commerciële prijs wordt verstaan: een bedrag ter hoogte van minimaal 40% van het wettelijk minimumloon per maand. de onderhuurder: een persoon die aantoonbaar tegen betaling van een commerciële prijs een deel van een woning van een alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezin, waarmee geen bloed- of aanverwantschap bestaat, huurt; onder een commerciële prijs wordt verstaan: een bedrag ter hoogte van minimaal 15% van het wettelijk minimumloon per maand. de zwervende: een persoon die geen woning bewoont; de woningkraker: een persoon die een woning bewoont waaraan geen woonkosten geacht worden te zijn verbonden, tenzij aantoonbaar het tegendeel blijkt; het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Achtkarspelen; de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Achtkarspelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel