Naar hoofdinhoud

Artikel 21

Artikel 21

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Gouda 2012

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning Gouda 2012. Aldus vastgesteld in de vergadering van Burgemeester en wethouders van Burgemeester en wethouders van Gouda, de secretaris, de burgemeester, Toelichting Besluit maatschappelijke ondersteuning Algemeen deel In de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Gouda 2010” wordt in een aantal artikelen verwezen naar het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In dit besluit zijn alle bedragen bij elkaar gebracht,die op basis van de verordening moeten worden vastgesteld. Bijstelling van het Besluit gebeurt door het College. Artikelsgewijze toelichting Artikel 2, 3 en 4 Regels rond verstrekking en verantwoording Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. De keuze die gemaakt wordt ten aanzien van de verantwoording van het persoonsgebonden budget wordt hier vastgesteld. Niet in alle situaties is het mogelijk een persoonsgebonden budget te ontvangen. Allereerst is het niet mogelijk een persoonsgebonden budget te ontvangen als tijdens onderzoek duidelijk wordt dat een aanvrager problemen zal krijgen met het omgaan met een persoongebonden budget, dit zal als contra-indicatie worden opgevat. Daarnaast worden ook de duurdere woningaanpassingen niet via een persoonsgebonden budget verstrekt. In deze artikelen wordt tevens bepaald dat gemeente de mogelijkheid heeft om, wanneer een voorziening niet meer wordt gebruikt, deze terug te halen. De voorziening is immers met gemeenschapsgeld aangeschaft en het is niet de bedoeling dat de opbrengst van de voorziening ten gunste komt van de gebruiker. Door de voorziening terug te halen is de gemeente in staat tot herverstrekking van deze voorziening, waardoor het gemeenschapsgeld optimaal wordt gebruikt. De budgethouder is verplicht meldingen over het niet meer gebruiken van voorzieningen aan het college te doen. Uiteraard worden extra eigen middelen, door de budgethouder besteed bij de aanschaf van de voorziening, op afschrijvingsbasis, terugbetaald. Tenslotte kunnen houders van een persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden het persoonsgebonden budget aanwenden voor het inkopen van ondersteuning bij het voldoen aan de verantwoordelijkheden die samenhangen met het persoonsgebonden budget. Dit wordt geregeld in artikel 2, eerste lid, onder b. Artikel 5 en 6 Omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel In artikel 15 en 19 van de (landelijke) Wmo is de mogelijkheid gecreëerd om de voorzieningen af te stemmen op de draagkracht van de aanvrager. Dit kan door aan de aanvrager van voorzieningen een eigen bijdrage of eigen aandeel op te leggen. Bij voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget wordt gesproken over de eigen bijdrage en bij financiële tegemoetkomingen wordt gesproken van het eigen aandeel. De gemeente heeft beleidsvrijheid in de wijze waarom een eigen bijdrage of eigen aandeel wordt opgelegd, maar is gehouden aan de kaders genoemd in het landelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning. De eigen bijdrage/ het eigen aandeel worden door het CAK berekend en geïnd. De eigen bijdrage/ eigen aandeel wordt voor alle eenmalig verstrekte voorzieningen (in eigendom of bruikleen) opgelegd voor maximaal 39 perioden van 4 weken. Bij voorzieningen onder de € 500 wordt een eigen bijdrage opgelegd voor maximaal 26 perioden van 4 weken. Bij een periodiek toegekende voorziening (een voorziening waarvoor de gemeente maandelijks kosten maakt) is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd gedurende de looptijd van de toegekende voorziening. In principe mag een gemeente de kosten die zij maandelijks kwijt zijn voor deze voorzieningen doorgeven aan het CAK waarover vervolgens een eigen bijdrage wordt berekend. Voor het opleggen van een eigen bijdrage zal de gemeente dit bedrag ook doorgeven aan het CAK tot dat de catalogusprijs van voorziening is bereikt. Het bedrag wat dan aan het CAK doorgegeven wordt voor het opleggen van een eigen bijdrage is voor onderhoudt, reparatie en verzekering. Ter verduidelijking een voorbeeld. Een burger heeft een scootmobiel verstrekt met een cataloguswaarde van € 5.000. Maandelijkse kosten voor de gemeente voor deze scootmobiel zijn € 100. De gemeente geeft dan 50 periodes van 4 weken (€ 5.000 : € 100 = 50 perioden) het bedrag van € 100 aan het CAK door voor het opleggen van een eigen bijdrage. Vanaf periode 50 wordt een bedrag van € 260 op jaarbasis doorgegeven aan het CAK voor het opleggen van een eigen bijdrage. Het bedrag van € 260 is voor onderhoud reparatie en verzekering. Bij de berekening van eigen bijdrage voor onderhoud, reparatie en verzekering gelden de volgende bedragen op jaarbasis: Scootmobiel                :   € 260 Driewielfiets                :      € 50 Duofiets                      :      € 80 Tillift actief en passief   :           € 260 Traplift                        :           € 130 Bij vervanging van een voorziening om medische redenen wordt dit niet als nieuwe voorziening gezien. Burger betaald de restterende periodes waarover een eigen bijdrage verschuldigd is van de eerste reeds verstrekte voorziening tot aan catalogusprijs. Het huurbedrag van de nieuwe voorziening wordt aan het CAK doorgegeven. Dus: het aantal periodes blijft gehandhaafd,  hoogte eigen bijdrage kan veranderen. Burgers met een periodieke voorziening verstrekt vóór 1 januari 2012 gaan vanaf 1 juli 2012 een eigen bijdrage betalen voor de periodieke voorziening. Cliënten worden in het laatste kwartaal van  2011 geïnformeerd over de invoering van de eigen bijdrage. De burger heeft zo de gelegenheid de voorziening stop te zetten indien hij geen eigen bijdrage wil betalen. Burgers met een inkomen op bijstandniveau kunnen gecompenseerd worden vanuit de bijzondere bijstand. Artikel 7 en 8Vaststelling bedrag persoongebonden budget hulp bij het huishouden Het verschil tussen hulp bij het huishouden type 1 en 2 is dat bij huishoudelijke verzorging type2 aangevuld is met de organisatie van het huishouden en hulp bij ontregelde huishouding. Verder wordt aangegeven hoe het persoonsgebonden budget voor de hulp bij het huishouden wordt vastgesteld. Bij de bepaling van de hoogte van het persoonsgebonden budget is als uitgangspunt gehanteerd dat het persoonsgebonden budget een reële tegenwaarde dient te vertegenwoordigen van de kosten van de zorg in natura. Er worden verschillende tarieven gehanteerd namelijk hulp bij het huishouden type 1 en type 2 welke een zwaardere vorm van hulp is. Daarnaast geldt een apart tarief voor de situatie dat de aanvrager een overeenkomst heeft gesloten met leverancier Vierstroom. Het betreft een Pgb financiële tegemoetkoming. Artikel 9, 10 en 11 Kosten woningaanpassing, afschrijving en verhuiskostenvergoeding. In deze artikelen wordt geregeld de kosten van de door het college goedgekeurde offerte. Bij het bepalen van de juistheid van de offerte wordt uitgegaan van de limitatieve lijst welke als bijlage bij dit besluit is toegevoegd. De kosten kunnen in de offerte teruggevonden worden: kosten van bouw, eventuele kosten van de architect, kosten van vergunningen en kosten van toezicht. Indien er sprake is van een in medisch opzicht noodzakelijke aanbouw van de woning of uitbreiding van een bepaald vertrek kan het nodig zijn dat er extra grond aangekocht moet worden. De in artikel 11 genoemde voorzieningen worden hieronder nader toegelicht: Stoellift: het Liftinstituut spreekt van traplift; Rolstoelliften: het Liftinstituut spreekt van hefplateaulift voor personen; Woonhuisliften: met kooi; sta-plateaulift of hefplateaulift: het Liftinstituut spreekt van een hefplateau voor personen zonder schacht tot maximaal 1.80 meter hoogte. Artikel 12 persoonsgebonden budget vervoersmiddelen. In dit artikel wordt geregeld de wijze waarop een persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening wordt vastgesteld. Hierbij wordt uitgegaan, conform de verordening, van de goedkoopst-adequate voorziening. Als daar sprake van is kan verhoging plaatsvinden met een bedrag noodzakelijk voor onderhoud en reparatie. Artikel 13 en 14 Collectief Vraagafhankelijk Vervoer en sociaal begeleider. Elke Goudse burger mag gebruik maken van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Een Wmo geïndiceerde mag dit echter tegen een gereduceerd tarief doen. Deze Wmo geïndiceerde mag ook op jaarbasis 20 enkele ritten een sociaal begeleider meenemen. De achterliggende gedachten bij het hanteren van een sociaal begeleider is dat de Wmo geïndiceerde zich op de plaats van bestemming kan laten begeleiden. Bijvoorbeeld bij ziekenhuisbezoek, bij het winkelen, bij bankzaken, etc. Eigen bijdrage is € 0,52 per zone, maar de eerste zone kent ook een opstaptarief waardoor men 2 x € 0,52 dient te betalen. Alle zones daarna wordt steeds verhoogd met € 0,52. Reist men alleen binnen de gemeente Gouda dan betaald men altijd maar voor 1 zone de eigen bijdrage met daarbovenop het opstaptarief. Dat is per enkele reis binnen de gemeente Gouda € 1,04. Artikel 15 Bruikleenauto In dit artikel zijn de bedragen opgenomen die verstrekt worden wanneer er sprake is van een auto in bruikleen. Artikel 16 Financiële tegemoetkoming vervoersvoorzieningen. In dit artikel liggen een aantal bedragen vast voor een financiële tegemoetkoming in de auto en taxikosten. Onder welke voorwaarden dit bedrag wordt toegekend, volgt uit de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010”. Artikel 17 Rolstoelvoorziening en persoonsgebonden budget In dit artikel wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening (zoals in de “verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning” Gouda is bepaald) welk bedrag verhoogd wordt met de kosten van onderhoud en reparatie. Elke rolstoel die enige aanpassing behoeft zal uitkomen op een ander bedrag. Daarom vindt vaststelling van het persoonsgebonden budget bij rolstoelen vaak per rolstoel plaats. Artikel 18 Sportvoorziening Voor een sportrolstoel wordt alleen forfaitaire financiële tegemoetkoming verstrekt. Deze financiële tegemoetkoming is niet kostendekkend en dient beschouwd te worden als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf en onderhoud voor een periode van drie jaar. Na drie jaar kan opnieuw een forfaitaire financiële tegemoetkoming worden toegekend. Artikel 19 tot en met artikel 21 Dit zijn de slotbepalingen en deze spreken voor zich.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel