De deelnemer mag over de spaarloonrekening beschikken voorzover de werknemer de ingehouden spaargelden ten laste van de spaarloonregeling opneemt binnen zes maanden nadat de werknemer activiteiten is gestart uit welke de werknemer vermoedelijk, als ondernemer in zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, windt uit onderneming als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zal gaan genieten. De hiervoor gemelde periode van zes maanden wordt verlengd met de periode welke ligt tussen het moment waarop door de werknemer een beschikking als bedoeld in sub b wordt aangevraagd en het moment waarop die beschikking wordt afgegeven door de inspecteur.
De aanwezigheid van activiteiten als bedoeld in sub a moet blijken uit een voor bezwaar vatbare beschikking die op verzoek van de werknemer, door de inspecteur kan worden afgegeven. In die beschikking zal worden opgenomen, de datum waarop activiteiten zoals bedoeld in sub a zijn gestart en de datum waarop de periode van zes maanden zoals bedoeld in sub a eindigt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt aangenomen dat de activiteiten zoals bedoeld in sub a zijn gestart op het moment waarop de inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden, dan wel had moeten plaatsvinden. Voor ondernemingen die niet kunnen worden ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel moet de datum waarop de activiteiten zijn gestart worden bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden.