Bij de toepassing van de vergunningverlenende bevoegdheid wordt voortaan uitgegaan van de in de hierna volgende passages vervatte beleidsuitgangspunten.
Solitaire standplaatsen dienen enkel op daartoe geschikte locaties te worden toegestaan en wel op die plaatsen waar zij geen onaanvaardbare afbreuk doen aan het straatbeeld, dan wel in geen ander opzicht een verstoring van de orde in de openbare ruimte of gevaar daarvoor opleveren. Om dit doel te bereiken kan een vergunningstelsel dienen dat een variant is op het in een aantal gemeenten gebruikte maximumstelsel. Dit stelsel gaat uit van:
* een limitatieve reeks locaties die geschikt geacht worden voor het innemen van standplaatsen;
* een maximum aantal standplaatsen per aangewezen locatie.
Bij het aanwijzen van locaties in het kader van de toepassing van dit criterium worden standplaatsen in ieder geval niet toegelaten op plekken waar deze het verkeer (inclusief voetgangers) hinderen of in gevaar brengen, of waar zij in relatie tot het karakter of de bestemming van de desbetreffende plaats en de directe omgeving een storend element opleveren. Het spreekt haast vanzelf dat geen standplaats mag worden ingenomen op plaatsen die krachtens de regelgeving geen verkeersbestemming hebben d.w.z. niet bestemd zijn voor verblijfsdoeleinden (bijvoorbeeld groenvoorzieningen). Toepassing van dit criterium heeft tot praktisch gevolg dat de selectie van mogelijke locaties voor standplaatsen in beginsel beperkt wordt tot
* pleinen, voor zover de eventuele parkeerfunctie, mede gelet op de aldaar levende parkeerbehoefte, niet onaanvaardbaar wordt beïnvloed;
* andere open ruimten die voldoende plaats bieden en die geen specifieke bestemming hebben welke zich niet verdraagt met het innemen van een standplaats omdat zulks een onaanvaardbare inbreuk maakt op het karakter van die ruimte.
Een praktisch gevolg van het vorenstaande en tevens een beoogd uitgangspunt van beleid is de maximering van het aantal standplaatsen. De ratio hierachter is dat daarmee wordt voorkomen dat de solitaire standplaats een te dominant facet wordt in het stadsbeeld en zo een negatieve invloed krijgt op de uitstraling daarvan. Het innemen van standplaatsen wordt op zichzelf weliswaar niet als een negatief verschijnsel gekwalificeerd, doch ook hier geldt: overdaad schaadt. Bovendien kunnen zo ongewenste ontwikkelingen, zoals verkapte marktvorming e.d., worden voorkomen.
De aldus concreet geselecteerde locaties worden opgesomd op een bij deze nota horende bijlage. Het innemen van standplaats op deze locaties dient vervolgens te geschieden conform de aanwijzingen van een terzake deskundig ambtenaar. Gedacht kan daarbij worden aan toezichthoudende ambtenaren van de afdeling Openbare Orde en Veiligheid.
Het formuleren van vorenstaande criteria en de nadere toepassing ervan impliceert dat geen principieel bezwaar bestaat tegen solitaire standplaatsen in het voetgangersgebied. De overtuiging bestaat dat het innemen van standplaatsen niet per sé afbreuk hoeft te doen aan de feitelijke uitstraling of het bestaande dan wel beoogd allure van het voetgangersgebied. Niettemin is het - na het gereedkomen van de reconstructie van het Centrum - in de praktijk uiterst moeilijk, haast onmogelijk gebleken om binnen het voetgangersgebied een standplaats voor snackverkoop te realiseren op een plek die zowel voor de gemeente, alsook naar de standplaatshouders alsmede derde belanghebbenden (gevestigde detailhandel/omwonenden) verantwoord is. Naast de mate waarin rekening moet worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van belanghebbenden, spelen de relatief geringe omvang en de beperkte mogelijkheden van dit gebied daarbij een beslissende rol.
Vanwege het vorenstaande wordt er voor gekozen om binnen het voetgangersgebied enkel standplaatsen toe te wijzen die uitsluitend voor informatieverstrekking of promotiedoeleinden worden gebruikt, en voor wat betreft bepaalde delen van het gebied, daarnaast van geringe omvang zijn. Dit uitgangspunt betekent een aanpassing van het in de eerste versie van de nota Openbare Ruimte vastgelegd beleid. Ten behoeve van de standplaats voor snackverkoop, waarvoor ten tijde van het in werking treden van dit beleidsonderdeel een vergunning geldt die verleend is op het oude beleid, kan (uit een oogpunt van bestuurscompensatie) een overgangsregeling worden toegepast. Elke andere aanvraag om standplaats binnen het voetgangersgebied voor andere doeleinden dan de thans gewenste, zal met verwijzing naar het gewijzigde beleid evenwel worden afgewezen.
Op het uitgangspunt om binnen het voetgangersgebied geen standplaatsen toe te laten voor andere doeleinden dan informatievoorziening/promotie (zoals snackverkoop e.d.) bestaat de volgende uitzondering: tijdens evenementen kan vergunning worden verleend, voor zover de aktiviteit die vanaf de standplaats wordt ontplooid naar het oordeel van de gemeente past bij het karakter van het evenement. Het aantal en de omvang van de standplaatsen wordt daarbij in het voorkomende geval bepaald aan de hand van het karakter van het evenement.
In geval een standplaats slechts zeer kortstondig wordt ingenomen (minder dan een uur per dag) kan vergunningverlening ook plaats hebben op andere locaties dan die welke geselecteerd zijn voor standplaatsen voor langduriger gebruik. Voorwaarde blijft evenwel ook dan dat het een locatie betreft waar het gebruik van zo'n standplaatsvergunning kan plaatshebben zonder onaanvaardbare
- belemmering voor de vrijheid van verkeer
- risico's voor de verkeersveiligheid
- hinder of overlast voor de omgeving.
Bij het zeer kortstondig innemen van een standplaats moet gedacht worden aan zaken als de verkoop van ijs of snacks na afloop van evenementen als voetbalwedstrijden.
Tot slot wordt als uitgangspunt vastgelegd dat, indien voor dezelfde locatie meer dan één aanvraag is ontvangen en niet alle aanvragen kunnen worden gehonoreerd, de voorkeur uitgaat naar het honoreren van de aanvraag die betrekking heeft op de langste periode dat de standplaats wordt ingenomen, en daarmee naar de standplaats met het hoogste rendement. Bij twee of meer aanvragen die voor de gemeente een geheel of nagenoeg geheel gelijkwaardig rendement opleveren, heeft een vergunningverlenging de voorkeur. Met dit laatste wordt bedoeld dat een houder van een vergunning waarvan de looptijd eindigde op de ingangsdatum van de nieuwe vergunning in beginsel in aanmerking komt vóór andere aanvragers. Dit beginsel kan buiten toepassing blijven indien de vergunning waarvan de looptijd afgelopen is, in strijd is gebruikt met de voorschriften of voorwaarden en de vergunninghouder daartegen schriftelijk is gewaarschuwd.
In alle andere gevallen is de datum van ontvangst van de aanvraag beslissend, waarbij een oudere aanvraag steeds voor een van recenter datum gaat.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.1.1.
Verlening en weigering van de vergunning
Onderdeel van Beleidsnota inzake het bijzonder gebruik van openbare ruimte