Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 3:7

- Opstapbaan

Onderdeel van Beleidsregels re-integratie Wwb, IOAW en IOAZ van de Gemeente Dongen 2012

1. Definitie: Onder een Opstapbaan wordt verstaan algemeen geaccepteerde arbeid die wordt aangeboden aan een belanghebbende waarbij gedurende een bepaalde periode gebruik wordt gemaakt van een loonkostensubsidie. 2. Doel: Het doel van een opstapbaan met de daaraan verbonden loonkostensubsidie, is de belanghebbende in staat te stellen om in een regulier dienstverband diens arbeidsvaardigheden en werkervaring zodanig te bevorderen, door middel van begeleiding, dat deze kan instromen in reguliere arbeid. 3. Doelgroep: Tot de doelgroep behoort de belanghebbende die valt onder de categorie benadeelde werknemers en van wie het college heeft vastgesteld dat deze vanwege een tekort schietende werkervaring, kennis en/of vaardigheden en eventuele andere belemmeringen, een traject inhoudende een periode van begeleiding op een werkplek, nodig heeft teneinde instroom in een reguliere arbeidsplaats te kunnen bewerkstelligen. 4. Voorwaarden, duur en hoogte loonkostensubsidie: in aanmerking voor de loonkostensubsidie komen werkgevers in zowel de collectieveals de marktsector, die in staat en bereid zijn om de belanghebbende de noodzakelijke begeleiding te bieden en die de intentie hebben om de arbeidsovereenkomst met belanghebbende voort te zetten na de subsidieperiode, en een aanvraag hebben ingediend om in aanmerking te kunnen komen voor de betreffende loonkostensubsidie; de werkgever gaat met de door het college voorgedragen kandidaat een arbeidsovereenkomst aan naar burgerlijk recht voor minimaal het Wettelijk Minimum Loon; de loonkostensubsidie wordt ingezet voor een periode van maximaal één jaar bij één werkgever; indien het college het in verband met nog verder te ontwikkelen arbeidsbekwaamheidnoodzakelijk en zinvol acht, kan verlenging van de subsidieverlening met maximaal één jaar plaatsvinden, onder de voorwaarde dat belanghebbende met ingang van de verlengingsdatum een aanstelling voor onbepaalde tijd krijgt, tenzij de in de betreffendebedrijfstak geldende CAO zich daartegen verzet, in welk geval de maximale aanstellingsduur dient te worden toegepast; in het eerste jaar bedraagt de subsidie maximaal 50% van het Wettelijk Minimum Loon en inhet tweede jaar 40%. de compensatie voor werkgeverslasten, anders dan het loon voor de Sociale Verzekering (SV), bedraagt 19% van het loonkostensubsidie-bedrag. bij een deeltijdaanstelling wordt de subsidie naar rato verleend. Hierbij wordt uitgegaan van hetgeen in de CAO voor de betreffende bedrijfstak als voltijds wordt beschouwd; tenzij in de persoon gelegen factoren dit belemmeren dient de arbeids-overeenkomst een zodanige omvang te hebben dat belanghebbende uitkeringsonafhankelijk wordt; als het maximaal aantal te subsidiëren werkuren geldt eveneens het aantal uren datvoor belanghebbende noodzakelijk is om uitkeringsonafhankelijk te worden; het college verleent de subsidie niet eerder dan nadat het heeft ingestemd met het door de werkgever opgestelde begeleidingsplan voor een bepaalde werkplek; 1° per kalenderjaar kan op declaratiebasis een periodiek voorschot verstrekt worden op de verleende subsidie, waarbij deze voorschotten verrekend worden met de voor het betreffende kalenderjaar vast te stellen subsidie, 2° definitieve vaststelling van de subsidie zal per kalenderjaar plaatsvinden, 3° de werkgever is gehouden om binnen twee maanden na afloop van het kalenderjaar een definitieve declaratie met betrekkingtot dat kalenderjaar in te dienen waarbij de declaratie gespecificeerd dient te zijn op persoonsniveau; toepassing van de loonkostensubsidie geschiedt met inachtneming van de bepalingen in titel 4.2. Subsidies, van de Algemene wet bestuursrecht. 5. Nadere verplichtingen belanghebbende, werkgever en het college: de belanghebbende, werkgever en het college ondertekenen het begeleidingsplan dat de werkgever aan de hand van een door het college verstrekt model heeft opgesteld; de werkgever voert de in het begeleidingsplan genoemde activiteiten zodanig uit dat dit ertoe bijdraagt dat de belanghebbende aan het eind van de subsidieperiode door kan stromen naar een reguliere arbeidsplaats in zijn organisatie; indien de werkgever daartoe scholing voor de belanghebbende wenselijk acht komen de kosten daarvan voor rekening van deze werkgever, tenzij anders met de werkgever is overeengekomen. 6. Gronden voor beëindiging: Onverlet het gestelde in artikel 3, derde of vierde lid, van de Verzamelverordening Wwb, eindigt de voorziening: na afloop van de vastgestelde subsidieperiode; zodra de arbeidsovereenkomst van de belanghebbende met de betreffende werkgever eindigt; indien door het college wordt vastgesteld dat voortzetting van de subsidie niet wenselijk is omdat de werkgever niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende subsidievoorwaarden voldoet; indien door het college wordt vastgesteld dat voortzetting ervan om andere redene nietwenselijk is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel