Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.2

Resultaat 2: wonen in een geschikt huis

Onderdeel van Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Aalten 2012

InleidingDe Wmo maakt in artikel 4, lid 1 (‘het voeren van een huishouden’) geen duidelijk onderscheid tussen resultaten op het huishoudelijke vlak en resultaten voor een geschikte woning. Wel is er één belangrijke voorwaarde voordat er gecompenseerd kan worden: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, heeft de gemeente geen taak om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keus van een woning houdt hij uiteraard rekening met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening wordt gehouden. Onder woonvoorziening wordt verstaan dat ondersteuningsvrager in staat wordt gesteld op een normale wijze te wonen en als resultaatsverplichting geldt een woning waarin alle activiteiten van het dagelijkse leven uitgevoerd kunnen worden.De eigen financiële draagkracht zal nadrukkelijk aan de orde worden gesteld. Degemeente verwacht van de belanghebbende dat hij ook zijn eventuele vermogen (eigen woning, aandelen, etc.) aanspreekt. Afwegingskader Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen en met beperkingen die redelijkerwijs in de nabije toekomst te verwachten zijn. Het college beoordeelt allereerst of het resultaat: wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Nadere regels hierover zijn onder 3.7 opgenomen. Als sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een (geschikte) woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde had voor de situatie van de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen kan een mantelzorgwoning gehuurd worden. Ook kunnen deze middelen besteed worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. (In de Woonvisie Aalten 2009 zijn de mogelijkheden t.a.v. ruimtelijke ordening opgenomen). Als voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat er een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiest het college bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en heeft aandacht voor de vergunning(en) daarvoor. Nadere regels hierover zijn onder 3.5 opgenomen. Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten, als opgesomd in artikel 13, lid 5, onder f van de verordening, beoordeelt het college of het verantwoord is de voorzieningen op een voor eenieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning (> € 10.000,00, afhankelijk van situatie is differentiatie mogelijk) werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee meerdere offertes opgevraagd worden. Als het gaat om een aanpassing van een eigen woning zal het college ook beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien (zie artikel 4 van de verordening). Als er bijvoorbeeld overwaarde in de woning aanwezig is (WOZ-waarde minus de hypotheekschuld en minus de vrijlating zoals genoemd in hoofdstuk 1, 1.2 het Gesprek, onder 6, Oplossingsmogelijkheden) en deze overwaarde te verzilveren is, zal geen compensatie door de gemeente plaatsvinden. De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning betreffen. Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen de woonruimte. Hoofdverblijf en bezoekbaar maken. In art 1, lid r, van de verordening en de toelichting op de verordening wordt vermeld dat ook het bezoekbaar maken van de woning onder de compensatieplicht valt. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. In afwijking van het hiervoor gestelde, kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente waar de aan te passen woning staat. De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen maximumbedrag. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. Uitraasruimte. Een ondersteuningsvrager die op basis van aantoonbare beperkingen gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg vertoont en zich alleen dient af te zonderen of tot rust te komen, kan een uitraasruimte geboden worden. Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht zijn. De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan zijn van verstrekking. Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn. Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer, het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is kan dat onder de voorziening vallen. Op basis van deskundigenadvies (met name een advies van een onafhankelijk psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen. Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is. Het aanpassen van doelgroepengebouwen zal gebeuren conform de afspraken zoals die door het college gemaakt zijn of worden met de (toekomstige) eigenaar van deze woningen. Aanpassingen die bij nieuwbouw of bij renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden, zijn uitgesloten. Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt ingevolge artikel 7, lid 2 van de wet door het college uitbetaald aan de eigenaar van de woning. De beschikking wordt verstuurd aan de ondersteuningsvrager met een afschrift aan de eigenaar. Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het college in natura en als persoonsgebonden budget worden verstrekt aan de ondersteuningsvrager. Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Voor een dergelijke verhuizing wordt geacht dat de ondersteuningsvrager zelf heeft gereserveerd. Het criterium leeftijd kan nooit een op zich staand argument zijn om af te wijzen, of toe te kennen. De gemeente zou zich in deze niet kunnen beroepen op de algemene regel dat langzaam voortschrijdende aandoeningen al dan niet in combinatie met leeftijd een belanghebbende uitsluit van een beroep op de Wmo, omdat dat een bepaalde groep mensen bij voorbaat uitsluit van een beroep op de Wmo. Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen, aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire woonfunctie. Woningsanering i.v.m. CARA. Een financiële tegemoetkoming is mogelijk voor woningsanering als gevolg van astma, allergie of chronische bronchitis. Sanering is mogelijk mits een duidelijke diagnose is gesteld door een longarts of huisarts. De beoordeling van de noodzaak staat in relatie met leefpatroon en leefregels, de staat en afschrijving van de woninginrichting, ventilatiemogelijkheden en gedrag. Ondersteuningsvrager dient voor een vervolg hiermee rekening te houden. Ook mag verwacht worden dat zelf maatregelen worden genomen ter voorkoming van CARA klachten. Wanneer wel: • Ondersteuningsvrager had bij de aanschaf niet kunnen weten dat CARA zou ontstaan of verergeren; • Vervanging van het artikel is medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk. Wanneer niet: • Het treffen van een voorziening leidt niet tot verbetering van de situatie van ondersteuningsvrager; • Ondersteuningsvrager had bij de aanschaf redelijkerwijs kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde omstandigheden reageert.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel