Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.7

Resultaat 7: lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Onderdeel van Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Aalten 2012

Inleiding Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Onder lokaal verplaatsen verstaan wij verplaatsingen in een straal van 15 kilometer met een bandbreedte tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. De eigen auto of het openbaar vervoer gelden als voorliggende voorziening. Het collectief vervoersysteem, bekend als Regiotaxi, heeft het primaat, omdat het een collectieve voorziening is. Zoals dat voor personen zonder beperkingen geldt, betaalt ondersteuningsvrager voor het vervoer. Afwegingskader Om voor een individuele Wmo voorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek, als dat heeft plaatsgevonden, alle mogelijke alternatieven (o.a. vervoersvoorzieningen vanuit andere wetgeving in verband met ziekte/zorg, werk of opleiding) al zijn beoordeeld. Als het college dient te compenseren zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de ondersteuningsvrager uit bestaat. Bij het bepalen van de relevante vervoersbehoefte gaat het niet om de vraag hoe vaak een ondersteuningsvrager een bepaalde bestemming wil bereiken, maar om de vraag hoe vaak hij dat moet kunnen doen om deel te nemen aan het 'leven van alledag' en om de daarvan deel uitmakende wezenlijke sociale contacten te onderhouden. Wat mensen normaal gesproken van dag tot dag plegen te doen c.q. zouden doen wanneer het gaat om zichzelf (buitenshuis) te verplaatsen (ook gelet op hun financiële capaciteit) dient derhalve uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen. Indien hierbij beperkingen worden ondervonden dienen deze beperkingen te worden verminderd om een sociaal isolement te voorkomen. Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de ondersteuningsvrager. Als het gemiddeld aantal ritten per jaar minder bedraagt dan 53 (= gemiddeld 1 reis v.v. per 14 dagen) dient de ondersteuningsvrager hierin in principe zelf te voorzien, als zijnde een niet relevante vervoersbehoefte. Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening wordt de benodigde vervoersbehoefte ingevuld. Wanneer deze behoefte duidelijk minder is dan het maximaal te verstrekken zones (900) of km (2000) per jaar, wordt deze compensatieomvang in de beschikking opgenomen. Indien daar aanleiding voor is, kan het college het maximaal aantal zones of km per jaar ophogen. Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een vervoersvoorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Ook bij personen met een loopafstand van meer dan 100 meter, maar minder dan 800 meter, zal het college beoordelen of een voorziening voor de zeer korte afstand noodzakelijk is. Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een forfaitaire vergoeding te besteden aan vervoer verstrekken. Bij het verstrekken van voorzieningen die af te leiden zijn van de auto, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. Met een voorziening die af te leiden is van een auto wordt ook de gesloten buitenwagen bedoeld. Voorzieningen als collectief vervoer (regiotaxi) en taxi- of autokostenvergoeding zijn vergelijkbaar wat betreft het compenseren voor een vervoersprobleem. Een combinatie van deze voorzieningen is in beginsel niet mogelijk. Een combinatie van een pas voor de regiotaxi en een gehandicaptenparkeerkaart (bestuurderskaart) is in beginsel ook niet mogelijk. Een begeleider kan, als daartoe een medische noodzaak is, gratis gebruik maken van de Regiotaxi. Hiervoor moet een indicatie bekend zijn bij de vervoerder. Voorzieningen kunnen door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de ondersteuningsvrager als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag. De gebruiker van een scootmobiel zorgt voor droge stalling van deze voorziening. Dat kan een schuur of overkapping zijn. Tegen kleine kosten (maximaal € 250,-) kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt om die voorziening aan te passen. Anders levert de gemeente een hoes en een slot. De gebruiker van de scootmobiel blijft verantwoordelijk voor goede zorg voor de voorziening. Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening.

Rechtspraak bij dit artikel