In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures
opgenomen:
- de algemene uitgangspunten insolventieprocedures;
- insolventieprocedure: wettelijke schuldsanering;
- insolventieprocedure: surséance;
- insolventieprocedure: faillissement;
- insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de
Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (‘NVVK’) of
gemeenten;
- insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan leden
van de NVVK of gemeenten;
- insolventieprocedures: akkoorden.
73.1. Algemene uitgangspunten
insolventieprocedures
73.1.1. Aanmelden belastingschulden in WSNP of
faillissement
Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de
ontvanger zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder.
Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak
worden geheven, geacht worden van dag tot dag te ontstaan.
De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie
aan bij de bewindvoerder.
Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen
naar artikel 19.2 van deze leidraad.
73.1.2. Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of
faillissement
Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het
faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is
mogelijk.
73.1.3. Boedelschulden
De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator
worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen
worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger
zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen
over de toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg
alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een
bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de
rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks
verhaal zoeken op de boedel.
Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke
schuldsaneringsregeling.
Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de
wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de
schuldenaar aanvragen.
Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden
in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze
leidraad).
73.1.4. Proceskostengarantie
Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de
bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor
de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet
toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de
ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het
bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan.
Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt
dat:
- de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat;
- de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende
vordering zal kunnen innen.
Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een
verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke
opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee
garant te staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor
boedelschuldeisers. Als een bewindvoerder in de wettelijke
schuldsaneringsregeling de ontvanger een verzoek om garantstelling doet,
treedt de ontvanger in overleg met het college.
73.1.5. Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de
curator
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
73.1.6. Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
73.1.7. Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
73.1.8. Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP
Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt
verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze
leidraad.
73.1.9. Kwijtschelding in relatie tot faillissement en
WSNP
Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel
26.1.9 van deze leidraad.
73.2. Insolventieprocedure: Wettelijke
schuldsanering
73.2.1. Kwijtschelding tijdens WSNP
Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen
belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt
verwezen naar artikel 26.2.17 van deze leidraad.
73.2.2. De WSNP is beëindigd met een schone
lei
Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van
toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel
356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als
natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger
bij de bewindvoerder zijn aangemeld.
Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben
op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van
toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei)
van die regeling, zal de ontvanger in beginsel afzien van invordering.
Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat:
- de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande voorlopige
aanslagen / teruggaven of voorschotten dan wel het ontbreken daarvan
voldoende op juistheid heeft getoetst; en
- over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact
heeft opgenomen met de gemeente.
Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de
wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben
op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke
schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen
die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.
Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de
periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke
schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die
regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met
openstaande schulden) van minder dan € 500 worden uitbetaald aan de
belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke
verrekening met openstaande schulden) € 500 of meer bedraagt, zal de
ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te
overleggen of de vereffening moet worden heropend.
Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de
ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde
belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden
aangemerkt.
Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger
voortzetten.
73.2.3. De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is
ingetrokken
De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, Fw)
en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a,
eerste lid, Fw). In die situaties kan de ontvanger de invordering
hervatten.
73.2.4. De WSNP is tussentijds beëindigd
Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd
in de zin van artikel 350, vijfde lid, Fw, blijft omzetting in
faillissement achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die
situatie geldt het invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij
opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten (artikel
73.4.14).
73.3. Insolventieprocedure - surséance
73.3.1. Uitstel en surséance
Voor uitstel van betaling in relatie tot surséance wordt verwezen naar
artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.
Voor kwijtschelding in relatie tot surséance wordt verwezen naar artikel
26.1.9 van deze leidraad.
73.3.2. Ketenaansprakelijkheid en
bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surséance
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
73.4. Insolventieprocedure: faillissement
73.4.1. Faillissementsaanvraag: algemeen
De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement
aanvraagt, moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid
materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft
achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht
van korte duur is.
Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een
faillissement aan als:
- die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of
- naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn
gebleven.
73.4.2. Ontbinding van rechtspersonen in plaats van
faillissementsaanvraag
Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer
uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan
wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten
leiden tot ontbinding van die rechtspersoon boven het aanvragen van het
faillissement van die rechtspersoon.
73.4.3. Particulieren en faillissement
Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft
achterwege als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele
vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement
kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt
voldaan.
Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een
onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet
aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.
Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van
bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden
natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening
hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als
particulieren.
73.4.4. Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag
Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in
behandeling is genomen - een verzoek om kwijtschelding, dan wel een
buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel
73.6 van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag
aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een
nader oordeel te onderwerpen.
Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan
wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de
faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het
aanbod onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid
opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste
voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek
dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de
faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.
73.4.5. Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling
faillissementsaanvraag door rechter
Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet,
voordat de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft
genomen, dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan
wel intrekken om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.
De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is
gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of
als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde
uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van
zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking
gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te
houden.
73.4.6. Toestemming voor faillissementsaanvraag
De ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk
toestemming van het college hebben.
73.4.7. Vervallen
73.4.8. Verlenen van steunvordering en
faillissementsaanvraag
Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt
niet hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.6 is
vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de
ontvanger.
Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het college
vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of
zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig
werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk
verstrekt.
Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van
de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van
de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de
belastingschuld als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is
vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3 en 73.4.6 van deze leidraad. In dat
geval is dus ook toestemming van het college vereist.
73.4.9. Verzet tegen faillietverklaring
Als de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen
de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW heeft hij hiervoor
toestemming van het college nodig.
73.4.10. Beroep op regresrecht in faillissement
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
73.4.11. Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij
faillissement
Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van
faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze
leidraad.
73.4.12. Opkomen in faillissement
Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator
dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar
artikel 19.2.3 van deze leidraad.
73.4.13. Volgorde uitwinning bodembeslag in
faillissement
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
73.4.14. Na de toepassing van het faillissement
De ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van
artikel 196 FW, om na de beëindiging van een faillissement het
proces-verbaal van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven
bedrag tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot
invordering bestaat, doet de ontvanger dit zoveel mogelijk bij
dwangbevel.
Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger slechts in bijzondere
omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze
omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen vijf
jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of
over vermogensbestanddelen van substantiële waarde.
Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten
worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met artikel 194 FW
in overleg met de curator.
73.4.15. Opening nationale (secundaire)
insolventieprocedure
Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de
EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert
terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland
op grond van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of
secundaire procedure worden geopend.
Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende
hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen
van een secundaire of territoriale procedure in Nederland. Een
secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure - dus niet de
surseance van betaling - en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland
geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden
aangetoond.
73.4.16. Omzetting faillissement in WSNP
Als omzetting van een faillissement in een wettelijke
schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger - als de
schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in
het faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel
19a en 22a van de regeling.
73.5. Insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering
door leden van de NVVK of gemeenten
73.5.1. Algemeen
De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal
36 maanden als:
een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode
Schuldregeling van de NVVK tot stand is gekomen of een
overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft
als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de
aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa
gepubliceerde normen;
de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling
wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook
artikel 73.5a);
de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet
zijnde ondernemers;
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige
afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten
worden in aanmerking zou komen voor de wettelijke
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen;
aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst
een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als
kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een
wettelijke schuldsanering.
Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van
toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de
toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal
uitoefenen.
De ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem
schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot
stand is gekomen. Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de
schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een
schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een
schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De
schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 120 dagen, gerekend
vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de
schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de
schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de
schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de
schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de schuldregeling,
wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd.
Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in
beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen
motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling
ook van toepassing is op die belastingaanslagen.
De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben
op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de
dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die
zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan
worden teruggekomen.
De gespecificeerde schriftelijke opgave vermeldt alle tot op de datum
van het verzoek (materieel) verschuldigde belastingen en is definitief
in de zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer
kan worden teruggekomen. In voorkomend geval wordt het bedrag van de
verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het
geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt
substantieel te laag mocht zijn, kan de ontvanger daarop alleen
terugkomen indien terzake van die belasting ten tijde van de schatting
ten onrechte geen aangifte was gedaan danwel indien de
belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten
dat de schatting te laag was.
73.5.2. Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek
MSNP
Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een
stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener
als bedoeld in artikel 73.5.1, onder b. Voor de toepassing van dit
artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een
schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener inhoudend dat hij
activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van
de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren.
Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst
neemt de ontvanger gedurende 120 dagen geen
dwanginvorderingsmaatregelen.
Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in
overleg met de schuldhulpverlener. Voorts vindt verrekening alleen
plaats met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel)
is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de
stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.
Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de voormelde termijn
door de schuldhulpverlener in overleg met de ontvanger met maximaal 120
dagen worden verlengd.
73.5.3. Gevolgen uitstel MSNP voor
invorderingsmaatregelen
Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de
schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen ( en de
schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet). Verrekening kan
plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die
(materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de
stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.
73.5.4. Houding ontvanger tijdens uitstel MSNP
Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een
schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode
van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke
schuldsaneringsregeling.
Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van
belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag van de
dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek
behandeld overeenkomstig het bestaande beleid.
Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit
op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt
gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt
beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de
schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd als vermogen in de
zin van artikel 12 van de regeling.
73.5.5. Intrekken uitstel gedurende MSNP
De ontvanger trekt het uitstel in als:
- hij niet uiterlijk binnen 120 dagen na de dagtekening van de
schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk is
geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet;
-de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel)
betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de dagtekening
van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat;
- de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt;
- de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen;
- de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de
zin
van art. 73.5.6
De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde
en vierde gedachtestreepjehet uitstel niet eerder in, dan nadat hij de
schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het
uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen
zijn verplichtingen correct nakomt.
73.5.6. De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen
MSNP
Als de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van
de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener
na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het
aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a
van de regeling.
In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole
is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft
voldaan.
73.5.7. Na de toevoeging van de MSNP
Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben
op de periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van
toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling,
zal de ontvanger in beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen
uit die regeling heeft voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt
dat aannemelijk moet zijn dat:
- de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag voorafgaande
voorlopige aanslagen/teruggaven dan wel het ontbreken daarvan voldoende
op juistheid heeft getoetst; en
- hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig
contact heeft opgenomen met de ontvanger.
73.5a Insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen
dan leden van de NVVK of gemeenten
Algemeen
Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een
persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet
op het consumentenkrediet, niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente,
worden in behandeling genomen met inachtneming van het volgende.
De ontvanger zal een belangenafweging moeten maken en zich daarbij
moeten afvragen of hij al dan niet tot instemming met de schuldregeling
kan komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang
dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het
belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad.
Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol
kunnen spelen:
is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar
gedocumenteerd;
is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is
waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden
geacht;
biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
uitzicht voor de schuldenaar;
biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig
uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de
weigerende ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen;
bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;
wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger
heeft bij volledige nakoming;
hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de
totale schuldenlast;
staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de
schuldregeling instemmende schuldeisers;
is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling
geweest die niet naar behoren is nagekomen.
Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een
dergelijk verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan
van de schuldregeling voor 36 maanden uitstel van betaling. Artikel 73.5
is zoveel als mogelijk van overeenkomstige toepassing.
73.6. Insolventieprocedures: akkoorden
73.6.1. Buitengerechtelijk akkoord
In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn
bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP - namelijk het
sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke
schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een
rechter - ook voor de gemeente laten gelden.
Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een
aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat
de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. Een
verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan een ieder
indienen, ook de schuldenaar.
73.6.2. Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk
akkoord
De ontvanger moet zich er eerst van verzekeren of redelijkerwijs mag
worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van
toepassing zal worden verklaard. Van belang voor de beantwoording van
die vraag is artikel 288 FW dat de weigeringsgronden voor de rechter
bevat op een verzoek om toepassing van de wettelijke
schuldsaneringsregeling.
De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met
betaling in termijnen eist hij zekerheid.
Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen
waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger
als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het
moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen
worden verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het
aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking
komen.
73.6.3. Gevolgen buitengerechtelijk akkoord
Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent
hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald
blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt,
heeft ontvangen. Zo nodig stelt hij een derdebeslagene of houder van
penningen op de hoogte van het verval van het beslag en zorgt hij voor
doorhaling van een beslag op een registergoed.
Een buitengerechtelijk akkoord is niet van invloed op gelegde beslagen.
De ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft
gevorderd op grond van het buitengerechtelijk akkoord.
73.6.4. Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk
akkoord
De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens
plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met
betaling in termijnen eist hij zekerheid.
Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden
aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde
op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op
grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen.
De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de
baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen.
73.6.5. Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord
Als de ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord
verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat
onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord
toekomt, heeft ontvangen.
73.6.6. Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk
akkoord
Bij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast op
welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt
daarbij is de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag
dat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag
waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.
Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te saneren
schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in
die zin dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in
een aanslag.
De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in
een akkoord.
73.6.7. Vervallen
73.6.8. Gevolgen dwangakkoord
Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een
dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de ontvanger
het deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar.
Aangezien de ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent
hij geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het
dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.
73.6.9. Kwijtschelding voor ondernemers bij een
saneringsakkoord
Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet
mogelijk is, vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats
bij een zogenoemd saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de
regeling. Zie ook artikel 26.3 van deze leidraad.