Artikel 26, eerste lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling
regels worden gegeven voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van
rijksbelastingen. De ontvanger verleent gehele of gedeeltelijke
kwijtschelding als de belastingschuldige niet in staat is anders dan met
buitengewoon bezwaar de belastingaanslag te betalen. In het algemeen zal
van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen om een
belastingaanslag te betalen ontbreken en ook niet binnen afzienbare tijd
worden verwacht.
De kwijtscheldingsregels op basis van artikel 26 van de wet zijn
vastgelegd in de regeling. In de artikelen 19a en 22a van de regeling
zijn de doelstellingen van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen in de belastingsfeer tot uitdrukking gebracht.
Bij de berekening van de kwijtschelding worden de kosten van bestaan
binnen een bepaalde bandbreedte gesteld op 90% van het inkomen van de
belastingschuldige. Gemeenten mogen een ruimer kwijtscheldingsbeleid
voeren door dit percentage te verhogen tot maximaal 100% (artikel 255,
vierde lid, van de Gemeentewet). In Epe is dit percentage in de
verordeningen reinigingsheffingen en rioolheffingen op 100%
gesteld.
Aan een aansprakelijkgestelde kan geen kwijtschelding worden verleend.
Wel kan hij op zijn verzoek worden ontslagen van de
betalingsverplichting. In artikel 53, derde lid van de wet is bepaald
dat bij ministeriële regeling regels worden gegeven op grond waarvan de
ontvanger de aansprakelijkgestelde geheel of gedeeltelijk van zijn
betalingsverplichting kan ontslaan als deze niet in staat is anders dan
met buitengewoon bezwaar te betalen.
De voorwaarden voor het al dan niet verlenen van kwijtschelding, gelden
ook voor het ontslag van de betalingsverplichting.
In aansluiting op artikel 26 van de wet beschrijft dit artikel het
beleid over:
- algemene uitgangspunten van het kwijtscheldingsbeleid;
- kwijtschelding van belastingen voor particulieren;
- kwijtschelding van belastingen voor ondernemers;
- administratief beroep;
- voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
kwijtschelding;
- geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing van het verzoek om
kwijtschelding;
- geautomatiseerde kwijtschelding.
26.1. Algemene uitgangspunten
kwijtscheldingsbeleid
26.1.1. Kwijtschelding van betaalde belastingschulden
De ontvanger verleent ook kwijtschelding van belastingaanslagen die al
zijn betaald, als aan de volgende voorwaarde is voldaan:
- de belastingschuldige dient het verzoek om kwijtschelding in binnen
zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Als het verzoek later
wordt ingediend, kan het verzoek ambtshalve in behandeling worden
genomen ;
- de belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die
aanleiding zouden hebben gegeven tot kwijtschelding als hij daar eerder
om had verzocht.
Als de ontvanger het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige
het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend. Van de ontstane
invorderingskosten wordt geen kwijtschelding verleend, tenzij het
ontstaan van de kosten niet aan de belastingschuldige is te
verwijten.
26.1.2. Het indienen van een verzoek om kwijtschelding
Het verzoek om kwijtschelding moet binnen zes weken na dagtekening van
de aanslag worden ingediend bij de ontvanger op een daartoe ingesteld
verzoekformulier. Als het verzoek later wordt ingediend, kan het verzoek
ambtshalve in behandeling worden genomen. In dat geval wordt als
voorwaarde voor de kwijtschelding opgenomen de verplichting om de
invorderingskosten die inmiddels zijn ontstaan te voldoen. Van de
ontstane invorderingskosten wordt geen kwijtschelding verleend, tenzij
het ontstaan van de kosten niet aan de belastingschuldige is te
verwijten.
Als de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient, maar
dit niet doet op het daartoe bestemde formulier, neemt de ontvanger het
verzoek niet als zodanig in behandeling. De ontvanger zendt een
verzoekformulier aan de belastingschuldige en stelt deze in de
gelegenheid het verzoek alsnog binnen twee weken in te dienen.
In afwachting hiervan wordt de invordering in beginsel opgeschort. Als
de belastingschuldige het formulier niet terugzendt, wijst de ontvanger
het verzoek af.
26.1.3. Niet ingevuld of onjuist ingevuld
verzoekformulier om kwijtschelding
Als de ontvanger een uitgereikt of toegezonden verzoekformulier
onvolledig ingevuld terugontvangt, stelt hij de belastingschuldige in de
gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te
verstrekken. In afwachting daarvan schort de ontvanger de invordering in
beginsel op.
De ontvanger vraagt de gegevens slechts één maal op. Als de
belastingschuldige niet alle gevraagde nadere gegevens bijvoegt,
beschouwt de ontvanger het verzoek ook als onvolledig ingevuld en wijst
hij het verzoek af.
26.1.4. Gegevens en normen ten tijde van indiening
verzoek om kwijtschelding
Bij de beoordeling van het verzoek zijn de gegevens en normen van belang
die gelden op het moment van indiening van het verzoek, tenzij in de
leidraad anders is aangegeven.
26.1.5. Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder
voorwaarden
Als de ontvanger besluit dat kwijtschelding zal worden verleend nadat
aan één of meer voorwaarden is voldaan, dan neemt hij die voorwaarden in
de beschikking op.
Als de ontvanger in de voorwaarden heeft opgenomen dat verrekening zal
plaatsvinden van uit te betalen bedragen, dan stelt hij tevens de
termijn vast waarin verrekening van die bedragen zal plaatsvinden. De
termijn bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de dagtekening van
de kennisgeving, dan wel - als dit minder is - de tijd die nog
overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt.
Als tot de voorwaarden de voldoening van een deel van de schuld behoort,
dan moet de ontvanger de belastingschuldige uitnodigen om binnen een
termijn van tien dagen een voorstel te doen met betrekking tot de
betaling van dat deel. Hierbij is het uitstelbeleid (zie artikel 25 van
deze leidraad) van toepassing. Als tot de voorwaarden naast de
voldoening van een deel van de schuld ook de verrekening van teruggaven
behoort, wordt het te betalen bedrag niet beïnvloed door de hoogte van
de verrekende teruggaven.
26.1.6. Motivering afwijzing van het verzoek om
kwijtschelding
Als de ontvanger het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet hij
motiveren waarom hij tot afwijzing van het verzoek heeft besloten.
Daarbij moet hij alle afwijzingsgronden noemen.
26.1.7. Na afwijzen kwijtschelding tien dagen wachttijd bij
voortzetting invordering
Als de ontvanger geen kwijtschelding verleent, of als het college
afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de
afwijzing, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of
voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de
beschikking. Deze termijn wordt niet of niet geheel verleend als naar
het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
gemeente worden geschaad.
26.1.8. Mondeling meedelen afwijzen
kwijtschelding
Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de
beslissing op een kort voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om
kwijtschelding mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze
beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt niet
de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet
mag aanvangen of voortzetten.
Evenzo geldt voor een kort voor de executoriale verkoop gedaan verzoek
dat niet is ingediend op een verzoekformulier of op een verzoekformulier
dat onvolledig is ingevuld, dat de ontvanger de belastingschuldige niet
in de gelegenheid stelt het verzoek in te dienen op het daartoe bestemde
formulier of de belastingschuldige niet in de gelegenheid stelt de
ontbrekende gegevens aan te vullen (zoals bepaald in de artikelen 26.1.2
en 26.1.3 van deze leidraad), maar het verzoek afwijst.
26.1.9. Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend
Er wordt geen kwijtschelding verleend als:
- de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet
volledig, onjuist, of niet op het door de ontvanger uitgereikte
formulier (zie ook de artikelen 26.1.2 en 26.1.3 van deze leidraad) zijn
verstrekt;
- uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een
onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven
enerzijds en het inkomen anderzijds en de belastingschuldige de in dat
verband door de ontvanger gevraagde opheldering niet - of naar het
oordeel van de ontvanger in onvoldoende mate - verschaft;
- de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te
dienen. In dat geval wordt de belastingschuldige meegedeeld dat een
nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend, dan
nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens de
belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen. Het
verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste
bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste
verzoek;
- een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in
behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de
hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in
hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of
vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding
vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw
verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op
het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;
- voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;
- er sprake is van meer dan één belastingschuldige;
- een derde nog voor de belastingschuld aansprakelijk kan worden
gesteld;
het aan de belastingschuldige kan worden toegerekend dat de
belastingaanslag niet kan worden voldaan. Daarvan is onder andere sprake
als:
het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te
wijten dat te weinig belasting is geheven;
(vervallen);
een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet
is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding
wordt gevraagd, tenzij het een voorlopige teruggaaf betreft voor
zover die niet voor beslag vatbaar is;
vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de
indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment
voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen
voldoen;
de belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat
een belastingaanslag zou worden opgelegd en nalatig is gebleven
in verband daarmee middelen te reserveren;
deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;
deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;
de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht
op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag
(gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald;
- de belastingschuldige in surséance van betaling of in staat van
faillissement verkeert, tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de
artikelen 138 en 252 FW;
- ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van
een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een
belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in
artikel 8, tweede lid van de regeling, voor zover die materieel
verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is
gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van
toepassing is verklaard, en niet kan worden aangemerkt als een
boedelschuld;
- het verzoek is ingediend voor een voorlopige aanslag én die aanslag
nog niet is gevolgd door een (definitieve) aanslag. In gevallen dat het
verzoek overigens zou moeten worden toegewezen, verleent de ontvanger
tegelijkertijd (ambtshalve) uitstel van betaling totdat de definitieve
aanslag is opgelegd. In de eventuele uitstelbeschikking deelt de
ontvanger de belastingschuldige mee dat na oplegging van de definitieve
aanslag desgewenst een nieuw kwijtscheldingsverzoek kan worden ingediend
waarin eventueel ook de definitieve aanslag kan worden betrokken;
- door de ontvanger nadere voorwaarden zijn gesteld en aan die
voorwaarden nog niet is voldaan. Zodra aan de gestelde voorwaarden is
voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend.
Ook wordt geen kwijtschelding verleend voor het bedrag van de te betalen
belasting waarop het verzoek betrekking heeft als aannemelijk is dat dit
bedrag kan worden voldaan omdat:
- binnen twee jaren na het verzoek als gevolg van sterk wisselende
inkomens een hoger inkomen is te verwachten;
- binnen een jaar na indiening van het verzoek een verbetering is te
verwachten in de financiële omstandigheden;
- binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf, anders dan de
voorlopige teruggaaf, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de regeling
kan worden verwacht. De vraag of buitengewoon bezwaar bestaat de
verschuldigde belasting te betalen, kan immers slechts betrekking hebben
op een per saldo verschuldigd bedrag. Alleen voor dat saldo moeten de
aanwezige financiële middelen worden aangesproken. Dit houdt in dat geen
kwijtschelding kan worden verleend als de belastingaanslag binnen een
jaar door middel van verrekening kan worden aangezuiverd.
26.1.10. Begrip 'ex-ondernemer' en
kwijtschelding
Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, past de ontvanger het
kwijtscheldingsbeleid voor particulieren toe.
Er is geen sprake van een ex-ondernemer als (een deel van) het
bedrijfsvermogen nog aanwezig is. In dat geval zal het verzoek om
kwijtschelding moeten worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in
artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal
geheel moeten worden gebruikt ter aflossing van de openstaande
(zakelijke) belastingaanslagen.
26.1.11. Verzoekschriften aan andere instellingen
De ontvanger houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is
ingediend bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman. Als
naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet
direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de
gemeente worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming
van het college toch invorderingsmaatregelen treffen.
26.1.12. Kwijtschelding en automatische incasso
Indien de belastingschuld door middel van automatische incasso van de
bankrekening van de belastingschuldige wordt afgeschreven, blijven deze
afschrijvingen gedurende de behandeling van het kwijtscheldingsverzoek
en het eventuele administratieve beroep doorgang vinden, tenzij de
belastingschuldige verzoekt om opschorting daarvan.
26.2. Kwijtschelding van belastingen voor
particulieren
26.2.1. Vermogen en kwijtschelding
particulieren
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van
de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot, verminderd
met de schulden van de belastingschuldige en de echtgenoot die hoger
bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen.
Ook als de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd, of
bij ongehuwd samenlevenden als sprake is van een samenlevingscontract,
is het voorgaande van overeenkomstige toepassing ondanks het feit dat de
partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de
belastingaanslag.
26.2.2. De inboedel en kwijtschelding
particulieren
De waarde van de inboedel wordt niet als vermogensbestanddeel in
aanmerking genomen als deze bij gedwongen verkoop niet meer dan € 2.269
bedraagt. Als de waarde meer bedraagt, wordt de volle waarde als
vermogen in aanmerking genomen.
26.2.3. De auto en kwijtschelding
particulieren
De waarde van de personenauto wordt niet als vermogensbestanddeel in
aanmerking genomen als deze op het moment waarop het verzoek wordt
ingediend een waarde heeft van € 2.269 of minder. Als de waarde meer
bedraagt, wordt de volle waarde als vermogen in aanmerking genomen. Als
op de auto voor een financier een pandrecht is gevestigd, moet ter
vaststelling van de actuele (over)waarde de financieringsschuld in
mindering worden gebracht.
Een auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen
als de belastingschuldige aan de ontvanger - zo nodig na een verzoek
daartoe - aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor
de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband
met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn
gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgenoot van
belastingschuldige, of zijn kind(eren) voor zover deze geen eigen
inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen
worden betaald.
26.2.4. Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor
particulieren
Incidentele ontvangsten op een bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld
vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig
vermogensbestanddeel ook in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening
van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze
situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering.
De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in de
kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel
aangemerkt.
26.2.5. De eigen woning en kwijtschelding voor
particulieren
De waarde van onroerende zaken die een belastingschuldige in zijn bezit
heeft, wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor de
waardebepaling van de onroerende zaak is uitgangspunt de waarde van de
onroerende zaak bij verkoop vrij te aanvaarden.
Als de aanwezigheid van vermogen vastgelegd in onroerende zaken leidt
tot de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding en de
belastingaanslag wordt vervolgens niet betaald, kan de voortzetting van
de invordering bij oudere belastingschuldigen die hun laatste
levensjaren in hun eigen woning willen slijten, leiden tot een
onverdedigbare hardheid.
Een gedwongen verhuizing in verband met de verkoop van de woning zal
voor deze groep belastingschuldigen een onevenredig grotere belasting
zijn dan voor andere belastingschuldigen. In die gevallen kan de
ontvanger in overleg met de belastingschuldige afzien van prompte
invordering en in plaats daarvan uitstel van betaling verlenen, gedekt
door een hypotheek op de eigen woning of door het leggen van een beslag
op de woning. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van de
langstlevende of bij een eerder vrijkomen van de woning.
Het verlenen van een zodanig uitstel blijft beperkt tot uitzonderlijke
gevallen.
26.2.6. Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor
particulieren
Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen
vermogen beschikken, wordt dat vermogen bij de beoordeling van het door
de ouder ingediende verzoek om kwijtschelding niet in aanmerking
genomen, tenzij die ouder (een deel van) zijn vermogen heeft toebedeeld
aan zijn kind(eren) om daaruit een fiscaal voordeel te
behalen.
26.2.7. Nalatenschappen en kwijtschelding voor
particulieren
Voor de beoordeling van een verzoek om kwijtschelding van
belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële
omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de
vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap
(hadden) kunnen worden voldaan is van belang.
Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de
overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke
financiële omstandigheden wel mee in aanmerking genomen, ook al zouden
bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de
belastingschuld kunnen worden aangesproken.
Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding
in aanmerking zou komen, wordt de betrokkene bij beschikking voor zijn
aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting
verleend. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de
erflater het verzoek om kwijtschelding indient.
26.2.8. [vervallen]
26.2.9.
Vervallen
26.2.10. Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor
particulieren
Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen
aanwezig zijn om de openstaande belastingaanslag te voldoen, moet worden
beoordeeld in hoeverre de aanwezige betalingscapaciteit voldoende is om
de belastingaanslag te voldoen.
De betalingscapaciteit wordt gevormd door het positieve verschil tussen
het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar inkomen van de
belastingschuldige en de gemiddeld per maand te verwachten kosten van
bestaan in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het
verzoek om kwijtschelding is ingediend.
Het netto besteedbaar inkomen van de belastingschuldige wordt
vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto besteedbaar
inkomen van zijn echtgenoot in de periode van twaalf maanden vanaf de
datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Ook wanneer de
belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij
ongehuwd samenlevenden wanneer sprake is van een samenlevingscontract,
is het voorgaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet
aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de
belastingaanslag. De vaststelling van het totale netto besteedbaar
inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de aanslagen
waarvan kwijtschelding wordt verzocht.
De verantwoordelijkheid van de echtgenoot, voor schulden van de
belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden
die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de
gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in
voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het
vermogen en de betalingscapaciteit van de echtgenoot van
belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voor zover een
door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding
betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang
van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe
te passen normbedrag is in dit geval het normbedrag voor een
alleenstaande ofeen alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de
regeling).
26.2.11. Vakantiegeld en kwijtschelding voor
particulieren
Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld
wordt gesteld op 7% van de - aan loonheffing onderworpen - inkomsten
waarbij aanspraak bestaat op vakantiegeld.
Als uit het ingediende verzoekformulier blijkt, dan wel de ontvanger uit
eigen wetenschap bekend is dat het reëel genoten vakantiegeld meer of
minder bedraagt dan 7%, wordt het reëel genoten vakantiegeld in
aanmerking genomen. Zo is bijvoorbeeld sprake van een lager percentage
dan 7 in het geval de belastingschuldige een bijstandsuitkering geniet.
In dat geval moet dus worden uitgegaan van het percentage genoemd in
artikel 19, derde lid, van de Pw.
26.2.12. Studiefinanciering en kwijtschelding voor
particulieren
Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening
gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF 2000
en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
schoolkosten (WTOS VO-18+ ).
Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op
een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de
kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs,
maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt
rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel
uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de
partnertoeslag of de één-oudertoeslag.
De inkomsten van een student worden gesteld op een forfaitair
bedrag.
Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het
normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair
bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 61.
Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het
bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met
een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen groot € 53 en
met het bedrag aan onderwijsretributie.
Als de belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen
inkomsten wordt eveneens uitgegaan van de forfaitaire inkomsten, zoals
hiervoor berekend onder A en B.
Als de daadwerkelijk genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen
collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs) en de eigen
inkomsten uitstijgen boven de voor het desbetreffende huishoudtype
maximaal geldende kosten van bestaan wordt om de betalingscapaciteit te
kunnen berekenen de navolgende formules gebruikt: Formule 1: (P + Q) – R
– S = X
In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk
genoten studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet
voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen
inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de
kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in
mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de
IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt
aangegeven met X, met dien verstande dat X altijd tenminste nul
bedraagt.
Formule 2: X + Y = T
In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan
inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het
resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is
het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het
netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de
betalingscapaciteit.
In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of
zelfs geheel uit een lening. In die situaties wordt ook uitgegaan van de
vorenvermelde forfaitaire inkomsten en is hetgeen in dit artikel is
vermeld van overeenkomstige toepassing.
26.2.13. Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en
kwijtschelding voor particulieren
Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en
die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de
reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in
aanmerking genomen.
De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar,
wordt daarentegen wél als inkomen in aanmerking genomen, evenals de
ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dat geval is
de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke
kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De
bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage
bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage - die geacht wordt deze lage
bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor
personen van 21 tot 65 jaar - geheel of gedeeltelijk
ontbreekt.
26.2.13a. Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor
particulieren
Verstrekkingen die worden ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor
specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop
geen aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere
bijstand, worden niet als inkomen in aanmerking genomen.
26.2.14. Betalingen op belastingschulden en
kwijtschelding voor particulieren
Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening
gehouden met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf
maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend, nog zullen
worden opgelegd.
Tot betalingen op belastingschulden worden naast betalingen aan
rijksbelastingen ook de betalingen gerekend die worden verricht op
gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn
vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet) en andere belastingen en
heffingen van lokale overheden.
26.2.15. Woonlasten en kwijtschelding van belasting van
voorhuwelijkse belastingschulden
Als het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden
die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de
gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Pw (zie artikel 26.2.10
van deze leidraad), worden de woonlasten in aanmerking genomen tot ten
hoogste 50% van het bedrag dat de uitkomst is van de berekening op grond
van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.
26.2.15.A. Woonlasten van meerpersoonshuishoudens
In het geval de belastingschuldige met tenminste twee personen van 18
jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert alsmede in het geval de
belastingschuldige met één of meer bloedverwanten in de eerste graad van
18 jaar of ouder een gezamenlijke huishouding voert dan wel anderszins
op één adres verblijf houdt, wordt bij de berekening van de
betalingscapaciteit geen rekening gehouden met de netto-woonlasten,
tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de woonlasten niet
gedeeld kunnen worden. Het vorenstaande geldt niet als sprake is van
commerciële verhuur, te weten als sprake is van kostgangers of
kamerhuurders.
26.2.16. Uitgaven in verband met
onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor
particulieren
Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij de berekening van het netto
besteedbaar inkomen de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage - de
bijdrage die een gemeente op grond van de Pw van een ex-partner vordert
in de kosten van bijstand - in mindering gebracht.
26.2.17. Kwijtschelding tijdens WSNP
Als sprake is van een belastingschuldige ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van
nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als
boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het
bestaande beleid.
Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de
betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in
mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van
de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de
middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder
berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12
van de regeling.
26.2.18.
Vervallen
26.2.19. Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de
bijstandsuitkering
De normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor
zover is begrepen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande
of een alleenstaande ouder € 39 per maand en voor echtgenoten € 85 per
maand.
26.2.20. Onderhoud gezinsleden in het buitenland
De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in
het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk
onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als
een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor
echtgenoten in de zin van artikel 3 Wwb. Als huur wordt de hier te lande
betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag
voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw, wordt in het
kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de
bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten
overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen
die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening
gehouden.
26.3. Kwijtschelding van
belastingen voor
ondernemers
26.3.1. Kwijtschelding voor ondernemers bij een
saneringsakkoord
Kwijtschelding voor ondernemers vindt alleen plaats bij een
saneringsakkoord tussen de schuldenaar en alle schuldeisers tot
gedeeltelijke betaling van de schuld tegen finale kwijting.
Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden
zijn uitgewonnen.
26.3.2. Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor
ondernemers
Voordat de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord gaat hij na of
de mogelijkheid bestaat (een) derde(n) aansprakelijk te stellen voor
onbetaald gebleven belastingschuld. Als de (te verwachten) opbrengst uit
de aansprakelijkstelling zodanig is dat het aanbod tot een
saneringsakkoord voor de ontvanger geen betere perspectieven biedt,
treedt de ontvanger niet toe tot het akkoord.
Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien
derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de
vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan
rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling
geïnd had kunnen worden.
Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog
derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag
dat in het akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de
aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de
aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming
uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de
ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult.
Als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de
ontvanger evenmin het ontstane tekort op.
26.3.3. Voorwaarden tot deelname aan een
saneringsakkoord
De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij
één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt
voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in
aandelenkapitaal.
26.3.4. Toepassingsbereik saneringsakkoord
Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de
ontvanger welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden
betrokken. Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde
van het verzoek.
Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de
belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo
nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de
belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een
juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen
aanleiding voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden
akkoord.
Naast de Rijksbelastingdienst heeft ook de gemeente de
inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en
tot het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel)
verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop
het verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.
26.3.5. Ten minste dubbele percentage en
saneringsakkoord
Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.
26.3.6. Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord
Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden
betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt
voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het
akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke
boete.
26.3.7. Rente en kosten en saneringsakkoord
De ontvanger betrekt rente en kosten integraal in het akkoord. Het
bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, wordt in afwijking van
artikel 7 van de wet op de hoofdsom afgeboekt. De ontvanger vermeldt dit
in de beschikking.
26.3.8. Speciale crediteuren en saneringsakkoord
Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet
noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel
van) de vordering die zij hebben te kunnen innen. Tot die crediteuren
behoren onder meer:
Pandhouders, omdat het recht van voorrang van de pandhouder op
het in pand gegeven goed boven het voorrecht van de fiscus gaat,
staat het niet deelnemen van de pandhouder aan het akkoord niet
aan een deelname daaraan door de ontvanger in de weg.
Vanzelfsprekend zal in aanmerking moeten worden genomen dat het
recht van voorrang van de pandhouder afhankelijk is van - en dus
qua belang beperkt is tot - de waarde van het in pand gegeven
goed. Voor het niet door pand gedekte gedeelte van zijn
vordering kan de pandhouder slechts als concurrent schuldeiser
worden aangemerkt. De bezitloos pandhouder wiens pandrecht
betrekking heeft op een zaak als bedoeld in artikel 21, tweede
lid, tweede volzin van de wet is voor die zaak lager bevoorrecht
dan de fiscus. Voor hem geldt het voorgaande dus niet. Vordering
van de gemeente moeten als concurrente vorderingen worden
aangemerkt.
Leveranciers die de eigendom van de geleverde zaak hebben
voorbehouden. Als een leverancier de eigendom van de geleverde
zaak heeft voorbehouden, moet bij het bepalen van de grootte van
zijn vordering rekening worden gehouden met dat
eigendomsvoorbehoud. Het voorgaande is niet van toepassing als
de rijksontvanger met toepassing van het bodemrecht beslag heeft
gelegd op deze zaak. In dat geval wordt door de rijksontvanger
integrale voldoening van de waarde van de bodemzaak worden
geëist en voor het restant van de fiscale vordering (ten minste)
het dubbele percentage;
Cessionarissen, als sprake is van rechtsgeldige gecedeerde uit
te betalen bedragen en de ontvanger heeft eveneens met de cessie
ingestemd, dan wordt bij een akkoord de vordering van de
crediteur/cessionaris in aanmerking genomen met inachtneming van
de te verwachten uit te betalen bedragen. De hoogte van de
vordering van de ontvanger wordt bepaald zonder rekening te
houden met de te verwachten - maar rechtsgeldig gecedeerde - uit
te betalen bedragen.
Onder 'dwangcrediteuren' worden verstaan leveranciers die niet bereid
zijn aan een akkoord mee te werken omdat de onderneming zonder hen niet
verder kan werken.
Hiermee vergelijkbaar is de adviseur/boekhouder die de stukken moet
produceren die voor de beoordeling van het aanbod nodig zijn. Bij de
beoordeling van het akkoord houdt de ontvanger rekening met de volledige
betaling van de vordering van de adviseur/boekhouder.
26.4. Administratief beroep
26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om
kwijtschelding
Als de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van
de ontvanger op het verzoek om kwijtschelding, kan hij een gemotiveerd
beroepschrift richten tot het college. Het beroepschrift wordt ingediend
bij de ontvanger. In verband met het aan het college uit te brengen
advies zendt de ontvanger zo nodig opnieuw een verzoekformulier aan de
belastingschuldige toe.
Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet
terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen.
Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger
het college daarvan in kennis. De ontvanger adviseert het college dan om
niet aan het beroepschrift tegemoet te komen.
26.4.2. Herhaald verzoek om kwijtschelding
De ontvanger merkt een herhaald verzoek om kwijtschelding aan als een
beroepschrift dat gericht is aan het college. Als de ontvanger zelf
aanleiding ziet om een gunstigere beslissing te nemen dan in zijn
eerdere beschikking, handelt hij het herhaalde verzoek zelf af.
De ontvanger behandelt een herhaald verzoek om kwijtschelding als een
eerste verzoek als het verzoek is afgewezen als gevolg van een
duidelijke, ambtelijke fout.
In deze gevallen kan de belastingschuldige na de beslissing van de
ontvanger een beroepschrift indienen bij het college.
26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is
gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift
binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst
daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet
voldoen aan deze motiveringsplicht.
26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om
kwijtschelding
Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om
kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing
waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt
dat het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste
verzoek zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in
belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een
herberekening plaats. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag
en zorgtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening
vindt niet plaats bij wijzigingen in de kosten van bestaan.
26.4.5. Beslissing college op beroep bij kwijtschelding
In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan het
college de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe
te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging
van de gronden.
26.4.6. Invordering na administratief beroep en herhaald
verzoek om kwijtschelding
Als een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering
niet eerder voortgezet dan nadat tien dagen zijn verstreken. Artikel 9
van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Als binnen de termijn
van tien dagen een beroepschrift wordt ingediend, dan wordt gedurende de
behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9
van de regeling.
Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot
niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat - als het belang
van de invordering zich daartegen niet verzet - van het college mag
worden verwacht dat het alsnog ambtshalve de grieven die in het
beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat
geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.
Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling
verzet, hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval
sprake als inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn
genomen.
26.4.7. Niet tijdig beslissen op een verzoek
om kwijtschelding
Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek
om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen
bij het college. Hieraan is geen termijn gebonden.
Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding
had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de
uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan het
college op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk
beslissen.
26.5. Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om
kwijtschelding
26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om
kwijtschelding
Als de ontvanger afwijzend heeft beslist op een verzoek om
kwijtschelding of een aangeboden akkoord, of het college heeft afwijzend
beslist op een ingediend beroepschrift tegen een afwijzende beschikking
van de ontvanger, dan moet de belastingschuldige het op de
belastingaanslag(en) verschuldigde bedrag binnen tien dagen na
dagtekening van de afwijzende beschikking of binnen de betaaltermijnen
die op het aanslagbiljet zijn aangegeven, voldoen. Na deze termijn kan
de ontvanger de invordering aanvangen dan wel voortzetten. De termijn
van tien dagen geldt niet als sprake is van een situatie als bedoeld in
artikel 10 van de wet.
26.6. Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om
kwijtschelding
Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding
maar de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt,
wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt
in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal
treffen.
Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van
invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij
daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de
belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.
De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te
nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele
uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering
gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt
maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan
wel - als dit minder is - de tijd die nog overblijft voordat de
verjaring van de belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze
verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.
Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te
nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling
opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking
herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt,
neemt de ontvanger een nieuwe beschikking waarbij hij zijn eerdere
beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat hij de
belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de
eerdere beschikking in te trekken en niet binnen
veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de
tijdsbepaling is voldaan
26.7. Geautomatiseerde kwijtschelding
Als de gemeente gebruik maakt van de mogelijkheid van geautomatiseerde
kwijtschelding, wordt er getoetst in het laatste kwartaal van het jaar
voorafgaande aan het belastingjaar waarvoor de kwijtschelding eventueel
kan worden verleend.
De toetsing vindt plaats door het Inlichtingenbureau aan de hand van
jaarlijks vastgestelde criteria. Deze criteria worden vastgesteld door
het Ministerie van Financiën. Als op grond van deze toetsing geen recht
bestaat op geautomatiseerde kwijtschelding kan in een later stadium
alsnog een individueel verzoek worden ingediend.
Artikel 26
Kwijtschelding van belastingen
Onderdeel van Leidraad invordering gemeentelijke belastingen