Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Frequentie

Onderdeel van Regeling beoordelingsgesprekken

Er wordt minimaal éénmaal per jaar over de medewerker een beoordeling uitgebracht voor het einde van het kalenderjaar over het gehele beoordelingstijdvak. Bij indiensttreding of overplaatsing vindt in de negende maand een beoordelingsgesprek plaats. Er wordt altijd een beoordeling opgemaakt als er een besluit moet worden genomen waarbij een oordeel over het functioneren nodig is of mede een rol speelt (bijv. aanstelling in vaste dienst, beloning, bevordering en overplaatsing). Een beoordeling wordt ook opgemaakt, indien de medewerker daar onder opgaaf van redenen om verzoekt. Een beoordeling behoeft niet te worden opgemaakt indien de medewerker gedurende (vrijwel) het gehele beoordelingstijdvak verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen, tenzij de medewerker schriftelijk verzoekt alsnog een beoordeling uit te brengen. Een beoordeling behoeft niet te worden opgemaakt indien naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders bijzondere omstandigheden het noodzakelijk c.q. gewenst maken dat een beoordeling achterwege moet blijven, tenzij de medewerker schriftelijk verzoekt alsnog een beoordeling uit te brengen. Een beoordeling op grond van de leden 5. en 6. wordt, met inachtneming van artikel 5, lid 1., binnen zes weken na ontvangst van het schriftelijke verzoek opgemaakt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel