Eerste lid
Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in de artikelen 18 tweede lid WWB, 20 derde lid IOAW en 20 derde lid IOAZ. Een andere reden om van het opleggen van een maatregel af te zien is dat de gedraging lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) van de maatregel is het nodig dat deze spoedig, nadat de gedraging heeft plaatsgehad, plaatsvindt. Om deze reden wordt onder sub b geregeld dat het college niet tot het opleggen van een maatregel overgaat voor gedragingen die langer dan twaalf maanden geleden hebben plaats gevonden.
Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand, gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.
Tweede lid
Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel, indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Bij de afweging of een dringende reden aan de orde is, is het van belang dat het opleggen van de maatregel voor de degene niet tot onaanvaardbare consequenties leidt in relatie tot de geestelijke en/of lichamelijke gezondheid van de belanghebbende.
Hoofdstuk
Artikel 4
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ 2012