Eerste lid
Het verlagen van de uitkering, die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode om een maatregel op te leggen. Het is de hoofdregel en gebeurt nadat het besluit aan belanghebbende is verzonden.
Tweede lid
Uitzonderingen op het eerste lid zijn mogelijk in de volgende gevallen:
in het kader van de afhandeling van een aanvraag vanaf de ingangsdatum van de uitkering, zolang deze nog niet is uitbetaald en vanaf de constatering van de gedraging nog niet een onredelijke lange periode is verstreken
met ingang van de eerste van de lopende maand zolang de uitkering over die maand op de dag van de verzending van de beschikking nog niet is uitbetaald.
Derde lid
Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van de uitkering worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.
Vierde lid
Wanneer de maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht of een ernstige misdragingen niet (geheel) kan worden uitgevoerd, omdat het recht op bijstand wordt beëindigd, wordt het resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit tot verlaging opnieuw uitkering aanvraagt.
In het besluit wordt meegedeeld dat de verlaging ten uitvoer wordt gelegd indien de belanghebbende binnen twaalf maanden opnieuw uitkering aanvraagt.
Vijfde lid
Bij hervatting van de uitkering binnen de periode van twaalf maanden zoals bedoeld in het vierde lid wordt beoordeeld of de maatregel wordt geëffectueerd of dat van het opleggen de maatregel alsnog wordt afgezien.
Wanneer een belanghebbende een nieuwe aanvraag indient na deze periode van twaalf maanden, dan is het eerder genomen besluit vervallen.
Hoofdstuk
Artikel 5
Ingangsdatum en tijdvak
Onderdeel van Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ 2012