Gedragingen in de zin van deze verordening worden onderscheiden in de volgende categorieën:
Eerste categorie:
het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.
het niet (tijdig) ondertekenen of het niet (tijdig) aan het college verstrekken van bijlagen en/of documenten, die benodigd zijn voor re-integratie van belanghebbende naar de arbeidsmarkt.
het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van de artikelen 17 WWB respectievelijk 13 IOAW, artikel 13 IOAZ of artikel 38 Bbz 2004 door informatie die van belang is voor de verlening van een uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, maar wel binnen de hersteltermijn zoals bedoeld in artikel 54 lid 2 WWB respectievelijk artikel 17 IOAW en artikel 17 IOAZ en voor zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de uitkering.
het zich misdragen tegenover het college of de uitvoerders onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW en IOAZ indien er sprake is van verbaal of non-verbaal agressief gedrag en discriminatie.
Tweede categorie:
het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot een voortijdige beëindiging van die voorziening dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met de inschakeling in de arbeid op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a WWB, indien van toepassing;
het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB respectievelijk artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a lid 1 WWB respectievelijk artikel 38 lid 1 IOAW en artikel 38 lid 1 IOAZ.
het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 of artikel 55 WWB, voor zover het gaat om persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na melding.
het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 55 WWB en of artikel 57 WWB.
het tonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in de artikelen 18 tweede lid WWB, 20 tweede lid IOAW of 20 eerste lid IOAZ waaronder het onverantwoord interen van het vermogen.
het zich ernstig misdragen tegenover het college of de uitvoerders onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW en IOAZ indien er sprake is van intimidatie (uitoefenen van psychische druk) en zaakgericht fysiek geweld (vernieling).
Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in de artikelen 17 WWB, 13 IOAW en 13 IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, wordt de maatregel op de hoogte van het benadelingsbedrag afgestemd.
Derde categorie:
het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting tot gebruik maken van geboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW, voor zover dit wel heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het re-integratietraject.
het ongebruikt laten van een aanspraak op een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.
het tonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bij:
geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;
het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering.
het zich ernstig misdragen tegenover het college of de uitvoerders onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW en IOAZ indien er sprake is van mensgericht fysiek geweld en combinatie van agressievormen.
Hoofdstuk 1
Artikel 6
Indeling in categorieën
Onderdeel van Verordening maatregelen WWB, IOAW, IOAZ 2012