**A.** Algemeen
Een nieuwe uitweg ten behoeve van een woning mag worden gerealiseerd mits de uitweg niet breder wordt dan maximaal 5 meter gemeten langs de openbare weg. Een nieuwe uitweg op een bedrijventerrein en ten behoeve van landbouwpercelen mag gemeten langs de openbare weg niet breder zijn dan 12 meter. In uitzonderlijke situaties, buiten de bebouwde kom waarbij de rijbaan niet breed genoeg is, kan tegenover de uitweg de berm plaatselijk verhard worden. De uitweg moet voldoende herkenbaar zijn als eigen niet openbare oprit.
In situaties waarbij het niet duidelijk is hoe de voorrang geregeld is, kan aanvullende bebording en markering in de openbare ruimte geëist worden.
**B.** Artikel 2.12, lid 2a bruikbaarheid van de weg
Onder ‘weg’ verstaan we in dit verband niet alleen de weg zelf, maar ook de bijbehorende voorzieningen zoals openbare verlichting en straat-/trottoirkolken voor afvoer van hemelwater. Als de voorzieningen niet verplaatst of gecompenseerd kunnen worden zal de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen uitweg geweigerd worden. Het uitgangspunt is dat ieder perceel ontsloten wordt op de openbare weg. Per adres kan één uitweg aangelegd worden. Te brede inritten leiden tot snellere en minder voorspelbare manoeuvres bij het in- en uitrijden die gevaar kunnen opleveren voor andere weggebruikers. Door de aanleg van een uitweg voor een woning mag maximaal één openbare parkeerplaats verloren gaan. Als de nieuwe uitweg wordt aangelegd ter vervanging van de oude uitweg (maar op een andere plaats) dient de oude uitweg te worden verwijderd, waarna de weg ter plaatse van de opgeheven uitweg in de oorspronkelijke staat wordt hersteld. De aanleg van een (extra) uitweg kan de bruikbaarheid van een weg nadelig beïnvloeden. Mocht dit het geval zijn dan zal de omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen uitweg geweigerd worden.
**C.** Artikel 2.12, lid 2b veilig en doelmatig gebruik van de weg Van gevaar voor het wegverkeer ter plaatse als bedoeld in artikel 2.12.onder b is in ieder geval sprake als de uitweg is gesitueerd:
Binnen een afstand van 5 meter van een bocht.
Binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruispunt.
Op de plaats van op de aanliggende weg aangebrachte opstelstroken dan wel voorsorteervakken.
Binnen een afstand van 50 meter van verkeerslichten aan dezelfde weg.
Zodanig dat bij het uitrijden van de uitweg er onvoldoende zicht is op het overige verkeer waardoor er onoverzichtelijke en/of onveilige verkeerssituaties kunnen ontstaan.
Op een plaats waar de ruimte voor het plaatsen van een personenauto op het eigen erf minder is dan 2,5 meter breed en 5,0 meter lang zoals gedefinieerd in de Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen (A.S.V.V.) Dit is een handboek met aanbevelingen voor de inrichting van wegen binnen de bebouwde kom.
Op een plaats waar de uitweg op een fiets- en/of voetgangerspad uitkomt en dat pad in lengterichting moet worden bereden om de openbare weg te bereiken.
Op een plaats ten behoeve van de openbare verlichting aanwezige lichtmast die wegens de verlichtingseisen en/of openbaar groen niet te verplaatsen is.
**D.** Artikel 2.12. lid 2c bescherming uiterlijk aanzien van omgevingDe bescherming van het uiterlijk aanzien heeft betrekking op de bestaande situatie die in zijn huidige verschijningsvorm dient te worden beschermd of verbeterd. Het uiterlijk van de omgeving is een stedenbouwkundig criterium ten behoeve van de ruimtelijke beleving. Deze ruimtelijke beleving heeft betrekking op de ruimte in een straat die van “gevel tot gevel” loopt en wordt soms binnen bestemmingsplannen verwoord in een beeldkwaliteitsplan. Zo’n beeldkwaliteitsplan stelt voorwaarden aan de mogelijkheden voor de invulling van de ruimte. Binnen de bestemmingsplannen – en met name in het onderdeel beeldkwaliteitsplannen – wordt soms aangegeven of uitwegen wel of niet zijn toegestaan. Soms worden uitwegen gepland op gronden met een groenbestemming.
Als er binnen een bestemmingsplan geen expliciet verbod op het aanleggen van uitwegenis opgenomen zal de aanleg op grond van het bestemmingsplan niet worden tegengewerkt.
Naast bestemmingsplannen en beeldkwaliteitsplannen kan ook een beschermd stads- of dorpsgezicht en een cultuur historisch waardevol gebied bepalend zijn voor het al dan niet toestaan van een uitweg.
Een omgevingsvergunning (activiteit aanleggen uitweg) zal geweigerd worden als in het kader van beschermd stads- en dorpsgezicht is vastgelegd dat uitwegen ter plekke niet wenselijk of niet toegestaan zijn.
**E.** Artikel 2.12, lid 2d bescherming groenvoorzieningenEr is sprake van onaanvaardbare aantasting van openbaar groen als;
Een uitweg binnen de hoofdgroenstructuur van de gemeente Buren valt.
Als voor de aanleg van de inrit bomen gekapt moeten worden die opgenomen zijn in de vastgestelde bomenlijst van waardevolle bomen van de gemeente Buren.
Als er sprake is van afschermend groen.
De verharding van de uitweg op minder dan 2 meter afstand van de stamvoet van een boom is geprojecteerd.
**F.** Artikel 2.12, lid 2 onder b veilig en doelmatig gebruik van de weg)Het uitgangspunt is dat ieder perceel ontsloten wordt op de openbare weg. Per adres kan één uitweg aangelegd worden. Voor een tweede uitweg gelden naast de criteria onder C de volgende aanvullende eisen:
het perceel moet een frontbreedte groter of gelijk aan 40 meter gemeten langs de openbare weg hebben.
de tweede uitweg mag niet ten koste gaan van de parkeercapaciteit in de openbare ruimte of het openbaar groen.
**G.** Uitvoeringseisen Binnen de bebouwde kom
Alle kosten voortvloeiende uit de realisatie en het onderhoud (gedurende 6 maanden na aanleg) van de uitweg komen ten laste van de vergunninghouder.
De vergunninghouder moet de civieltechnische werkzaamheden van de uitweg op gemeentegrond binnen de bebouwde kom laten uitvoeren door de gemeente Buren en mag zelf een erkende aannemer kiezen.
De gemeente geeft de aannemer pas opdracht als de vergunninghouder de aanlegkosten op basis van een offerte van de aannemer heeft betaald aan de gemeente.De vergunninghouder ontvangt vooraf in tweevoud een kopie van de offerte en ondertekent deze bij akkoord. Eén getekend exemplaar van de offerte stuurt hij terug aan de gemeente.
Buiten de bebouwde kom
Voor het aanleggen, verplaatsen of verbreden van een inrit buiten de bebouwde kommoet de vergunninghouder de inrit volledig zelf aanleggen en beheren.
Overige uitvoeringseisen
Vergunninghouder is verantwoordelijk voor de deugdelijke uitvoering van de uitweg.
De vergunninghouder ziet erop toe dat de werkzaamheden volgens de CROW-publicatie 96b, getiteld “Maatregelen bij werk in uitvoering op niet-autosnelwegen en wegen binnen de bebouwde kom” uitgevoerd worden.
Het verplaatsen van lichtmasten, verkeersborden, straatmeubilair en beplanting worden door de gemeente op kosten van de vergunninghouder uitgevoerd.
**H.** Om te voorkomen dat bij de aanleg van een nieuwe uitweg de openbare ruimte rommelig wordt door het gebruik van verschillende bestratingmaterialen worden dezelfde materialen voorgeschreven. Het bestratingmateriaal is gelijk van soort en kwaliteit. Er mag geen losse verharding (grind e.d.) worden toegepast. De vormgeving van de uitweg bij ongelijk niveau tussen trottoir en rijbaan bestaat uit inritblokken.
**I.** Oneffenheden door het onjuist aanstraten van openbare bestrating aan de nieuwe uitweg alsmede andere aantoonbare gebrekkigheden in de uitvoering dienen door de aannemer op eerste aanzegging van de gemeente door de vergunninghouder dan wel door de aannemer te worden hersteld.